Pluk had een klein rood kraanwagentje. Hij reed ermee door de stad en zocht een huis om in te wonen. Af en toe stopte hij en vroeg hij aan de mensen: ‘Weet u niet een huis voor me?’ Dan dachten de mensen even na en zeiden: ‘Nee. Dat is de schuld van minister De Jonge.’ Dan knikte Pluk. Hij kende minister De Jonge niet.
Op een ochtend reed hij langs een gigantische tuin, waaruit een aanstekelijk gekwetter opsteeg. Overal hingen slingers en ballonnen, en overal lagen kinderen in de zon te lezen. ‘Wil je ook een boek?’, vroeg een meneer bij de ingang. ‘Kost dat?’, vroeg Pluk. ‘Niets!’, riep de man uit. ‘Het is Kinderboekenweek!’
‘Geef mij dan maar zo’n boek’, zei Pluk. ‘Pas bij besteding vanaf 13,50 euro’, zei de man. ‘Dus dan koop je Wopke de klimaatkampioen, over een jongetje dat van de ene op de andere dag een ander mens wordt, of het spannende sprookje De prins en het nazipasje, en dan krijg je het geschenk er gratis bij.’
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Meer een spaaractie eigenlijk’, stelde Pluk vast. Hij keek de tuin in: onder een beuk stond een kinderboekenschrijver voor te lezen voor een doodstil publiek van honderden kinderen en er werd met griffels en penselen gesjouwd. Er stond een gigantische boekenkast, vol nieuwe kinderboeken, klassieke kinderboeken, prentenboeken en geschenken, en talloze kinderen liepen af en aan om er boeken uit weg te pakken en terug te brengen.
Het was één groot kinderboekenbal, een feest voor alles en iedereen. Ergens stond een bord: ‘Wie dit ontleest, is gek’, er werd gerapt door het duo Pen & Papier, en in een hoekje, bij de hasselbraamstruik, declameerde een harige auteur klaaglijk een tweeregelig gedicht: ’s Ochtends rijd ik over de brug / en ’s avonds rijd ik terug. ‘De heen-en-weerwolf’, zei de man. ‘Doet het geweldig op scholen.’
Er kwam een dame naast Pluk staan. ‘Mooi?’, vroeg ze. Pluk knikte. ‘Dat regel ik zo’n beetje’, zei de dame. ‘Het liefst krijg ik het hele land aan het lezen. Zoek je een boek?’ ‘Ik zoek een huis’, zei Pluk. ‘En ik ben mevrouw Helderder’, zei de dame. ‘En die flat daar, dat is de Letterflet, en dat regel ik ook zo’n beetje.’ Ze wees op een somber, langwerpig gebouw dat een beetje onhandig naast het park stond. ‘Dus kom maar mee.’
In de Letterflet, vertelde mevrouw Helderder, woonden grotemensenschrijvers. Sommige van hun zinnen waren zó lang dat ze in het midden doorzakten, net als bij een heel lang paard. De grotemensenschrijvers hadden hun eigen week, maar met minder slingers.
Mevrouw Helderder deed haar voordeur open en liet Pluk binnen. ‘Toen ik hier kwam’, zei ze, ‘zaten ze allemaal bij elkaar, helemaal boven, in de ivoren torenkamer. Daar heb ik ze uitgejaagd. Hup, de straat op, begrijpelijke boeken schrijven. Zeg, zou jij mij willen helpen? Zou jij bij de familie Stamper van hierboven de plantjes water willen geven? Ze zijn weinig thuis, want ze vertellen komende tijd onafgebroken op tv over hun nieuwe project.
Toegegeven: het is soms wat luid, met al die jongens, maar het is iets heerlijks, en zó voor ieder wat wils! Ik wil het hele land aan het kijken krijgen. Aan het lezen, bedoel ik. Ja, wil je dat doen? Prachtig. Dan ga ik ondertussen naar de kelder, met mijn spuitbus. Er schijnen daar toch nog steeds essayisten te zitten.’
Source: Volkskrant