Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Het regende in Artis, maar de sfeer was op en top Bert Haanstra, want de leeuwen waren los. Eindelijk bevrijd uit hun krappe, honderd jaar oude woninkje dat al heel lang ‘echt niet meer kon’ drentelden ze, een beetje argwanend nog, over het grote, nieuwe, terrein; Amsterdammers, op hun ouwe dag van drie hoog achter in de Jordaan verhuisd naar een bungalow met royale tuin in Almere. Leuk, al die frisse lucht, maar je moest nog maar afwachten of je met de nieuwe buren net zo kon lachen als met dikke Sjaan en rooie Bennie uit de Derde Leliedwarsstraat.
Het toegestroomde publiek kreeg felgekleurde macarons aangeboden; geen versnaperingen die men met leeuwen associeert, maar ja, je kunt die diervriendelijke dagjesmensen nu eenmaal geen rauwe schapenbout voorzetten. De leeuwen zelf kregen wél een extra hapje feestvlees. Een van de twee vrouwtjes prikte met de nagels van haar voorpoot precieus zo’n brokje uit het gras en liet het als een haring tussen haar scherpe tanden glijden. Haar zusje loerde intussen naar een malse kleuter, maar gelukkig staat er om deze stadse steppe een hoog hek.
De mannetjesleeuw, intussen, maakte een wat ongemakkelijke indruk. ‘Hij vindt het allemaal nog een beetje spannend’, verklaarde een oppasser desgevraagd. Dat hóórt niet, een koning van de jungle die iets ‘een beetje spannend’ vindt. Nee, die stakker moest maar eens gauw iemand flink bijten, dat zou hem goed doen.
‘Hebben ze wel iets te jagen? Gooien jullie wel eens een levend konijn naar binnen?’, vroeg ik rellerig aan de oppasser. ’Nee, maar als je er eentje óver hebt...’, antwoordde hij inschikkelijk. Helaas heb ik zelden konijnen over. ‘Toch jagen ze wel, hoor’, ging hij voort. ‘In het oude verblijf pakten ze vaak een reiger of een eend’.
Onderweg naar de uitgang liep ik langs het oude leeuwenverblijf. Leeg. Maar niet helemaal. Op het strandje, waar tot voor kort de leeuwen brulden, zaten drie reigers en zowat een dozijn eenden. Ze waren in druk gesprek. (Eenden en reigers spreken niet helemaal dezelfde taal, maar ze kunnen elkaar verstaan, net als Denen en Zweden).
‘Ze zijn weg. Ze zijn écht weg. Wat een ongelooflijke mazzel’, kefte een reiger. ‘Maar misschien komen ze nog terug’, snaterde een eend. ‘Je weet het nooit, met leeuwen. Achterbakse beesten. Ik zal nooit vergeten hoe ze nicht Katrien van achteren, in één hap...’ Hij huiverde.
‘Jongens, wees maar gerust. Ze komen nooit meer terug’, riep ik over het hek.
Maar ja, het blijven vogels, hè. Dus míj verstaan ze niet.
Source: Volkskrant