Home

Caspar Janssen na 100 keer ‘Aard van het beestje’: dieren hebben maar te dealen met wat mensen allemaal uitspoken

Slechts één keer kreeg ik boze reacties op een van de honderd dierenportretten die ik schreef in de rubriek ‘Aard van het beestje’, gedurende de afgelopen tweeënhalf jaar. Dat was toen ik het roodborstje een ‘agressieve opportunist’ noemde. Je bent zelf een idioot en een opportunist, schreef een lezer, die me verweet dat ik een menselijk etiket plakte op het territoriale instinct van het roodborstje om te overleven. Een andere lezer verwoordde het iets vriendelijker: een dier is zoals hij is, het is geen bewuste keuze, en het gaat niet aan om daar als mens een waardeoordeel over te geven.

Nu was dit een atypisch stukje in de reeks, zo ongeveer het enige waarin ik de verleiding niet kon weerstaan om te schrijven over het beeld dat mensen van een dier hebben. En, o ironie, juist om het probleem te belichten van het toedichten van menselijke eigenschappen aan dieren. Het roodborstje leent zich daar bij uitstek voor, want het beeld van het gezellige roodborstje dat vriendelijk tegen het raam tikt, zegt vooral veel over hoe mensen naar dieren kijken. Onder de biologen die studie deden naar het roodborstje staat de vogel juist bekend als, laat ik het voorzichtig zeggen, relatief erg territoriaal. Om het nog verwarrender te maken: vogelkenners die ik raadpleegde hadden geen enkele moeite met de typering ‘agressieve opportunist’. Want dat is simpelweg de strategie die succesvol is gebleken in de loop van de evolutie. Dat hoeft nog geen waardeoordeel te zijn.

Deze kleurplaat is hier te printen.

Ik kwam er dus, ook achteraf, niet uit of ik zelf in de valkuil van het antropomorfisme was gestapt. Ik koos voor deze rubriek verder juist bewust zo veel mogelijk voor het perspectief van het dier, voor de biologie en de ecologie, voor het verband tussen dier en leefgebied. Wat heeft een dier nodig om te overleven, individueel, maar vooral als populatie? Het moest nu juist eens niet over mensen gaan, maar over wat dieren kunnen, wat ze doen, hoe ze overleven, waar ze tegenaan lopen, waarbij ze bPf aat hebben. Waarom redt het paapje het nog maar net, waarom gaat het weer wat beter met de bosbeekjuffer, waarom zit de argusvlinder in het gedrang, waarom zijn zo veel wilde bijen van het platteland naar dorp en stad verhuisd? Dat soort vragen.

Wat dieren doen en kunnen is al fascinerend genoeg. De boerenzwaluw trekt elk jaar op en neer naar Afrika en vliegt in het voorjaar, bij terugkeer in Nederland, feilloos naar de boerderij of paardenstal waar hij het jaar daarvoor ook jongen grootbracht. De grote bladsnijder, een wilde bij, snijdt ronde en ovale stukjes blad uit bladeren en behangt daarmee de nestkamers, met de ronde blaadjes maakt ze schotjes tussen de cellen. De brokkelster offert soms een arm op om te ontsnappen aan een predator, waarna de arm weer aangroeit. Wat bevers kunnen valt moeilijk te missen: ze veranderen de loop van beken, kunnen een landschap op zijn kop zetten. Wolven zijn zelfs in staat om mensen volledig van slag te brengen en de agenda’s van praatprogramma’s te bepalen. Bevers in toom houden, dat kunnen wolven trouwens ook.

En toch, uiteindelijk, zijn het dieren in mensenland, een land waarin de mens beschikt. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd, geen uithoek van de wereld ontkomt meer aan de invloed van de – vooralsnog – succesvolste diersoort. In Nederland, dichtbevolkt land met veel verschillende landschappen op weinig oppervlakte, is die invloed onontkoombaar. Hoezeer ik ook het dier zelf als uitgangspunt nam, steeds weer drong de belangrijkste sturende factor zich op: menselijke activiteit.

Over de auteur
Caspar Janssen schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap. Hij schreef onder meer het boek Het bijenbalkon – Van een kaal terras naar een zoemende balkonjungle.

Bij de boerenzwaluw, een typische cultuurvolger, is dat nog niet zo gek. Oorspronkelijk nestelde hij (zij) in rotswanden en grotten, maar hij trok mee met mensen, en ontdekte boerderijen, met hun open stallen, met spanten en balken en insecten. Toen steeds meer stallen ondoordringbare vestingen werden, ging het bergafwaarts. Totdat mensen massaal paarden gingen houden en de boerenzwaluw de paardenstallen en paardenweitjes ontdekte.

Maar het gaat op voor zowat alle diersoorten, merkte ik. Dieren hebben maar te dealen met wat mensen allemaal uitspoken. Aan de Amstel, niet ver van mijn huis in Amsterdam, stond ik op een avond met een zaklamp te schijnen op een klein, nachtactief visje, de rivierdonderpad. Het is een van de inheemse vissen die het dreigt af te leggen door een invasie van exotische grondels uit het oosten. Een direct gevolg van de aanleg van het Main-Donaukanaal in 1992, waardoor West- en Oost-Europa met elkaar werden verbonden en de Rijn een stroomafwaartse snelweg voor exotische vissen is geworden.

Bij Vlissingen zag ik een purperslak op het strand van de Westerschelde. Twintig jaar geleden bijna verdwenen door het gebruik van tinhoudende verf op scheepsrompen. De stof TBT veroorzaakt imposeks bij de purperslak en andere weekdieren; vrouwelijke dieren ontwikkelen mannelijke geslachtsorganen waardoor ze geen eitjes meer kunnen afzetten. De stof werd wereldwijd verboden, door verstandige mensen, sindsdien gaat het gestaag beter met de purperslak. Maar ja, nu zit er weer pfas in het water.

Waar ik ook niet omheen kon: de dieren die ooit het boerenland ontdekten als leefgebied, hebben het zwaar, vanwege de veranderingen in de landbouw. Het gaat om veel diersoorten, op meer dan de helft van het Nederlandse grondgebied. De ringmus, de patrijs, de kievit, het paapje, de argusvlinder, de zomertortel, de zandhommel en nog meer bijensoorten, in deze reeks. Ik waakte ervoor om nog tientallen andere dieren van het platteland te behandelen. Wel de ortolaan. In Noord-Limburg liep ik door het gebied waar Boena van Noorden in 1993 zijn zoontje wees op twee ortolanen en zei: ‘Dit is het laatste paartje.’ De ortolaan, prachtig vogeltje van het kleinschalige boerenland, ging inderdaad voor Nederland verloren.

De diersoort mens heeft ook een andere kant. Sinds de jaren negentig gingen mensen ‘natte natuur’ maken, her en der werd de waterstand omhoog gezet en ontstonden moerassige, insectenrijke natuurgebieden. Dat verklaart waarom de blauwborst nu niet meer als zeldzaam te boek staat en de krakeend Nederland kon koloniseren. Libellensoorten profiteerden van betere waterzuivering en beekherstel – nadat de waterkwaliteit eerst een dieptepunt had bereikt en beken juist waren gekanaliseerd. Voor vissoorten worden eerder aangebrachte obstakels, zoals sluizen en stuwen, voorzien van passages. Waar steenuilen flink te lijden hadden onder het verdwijnen van hoogstamboomgaarden en rommelige, kleinschalige boerenerven, is het aan de gedrevenheid van een paar vrijwilligers te danken dat het uiltje in de Achterhoek aardig stand houdt.

Gezien vanuit het perspectief van dieren moet de mens onnavolgbaar zijn. De bever is eerst door mensen in Nederland uitgeroeid, vervolgens weer uitgezet, en nu wordt hij weer bestreden. Voor de wolf geldt min of meer hetzelfde: eerst verdreven, vervolgens beschermd verklaard en teruggekeerd, en inmiddels weer onderwerp van verhitte discussies. De korenwolf, de wilde hamster, stierf bijna uit op het gerationaliseerde Zuid-Limburgse boerenland, nu wordt het beschermde dier al jaren gefokt en uitgezet in hamsterreservaten met gewassen van weleer. Nog altijd redt de hamster het niet zelfstandig, onwetend van de mensendiscussie die zich over zijn hoofd afspeelt: stoppen, of juist niet. Intussen gebeurt er in die akkerreservaten wel iets anders. De gebiedjes zijn oasen van biodiversiteit geworden. Ik stond er in de winter: overal groepjes kneutjes, putters, geelgorzen, rietgorzen, veldleeuweriken. Ogen en oren tekort op deze voedselveldjes. Allemaal mensenwerk.

En zo, zelfs al neem je het dier als uitgangspunt, kun je nog altijd niet om mensen heen. De fixatie op de eigen soortgroep is ook mensen niet vreemd. Toch zijn er nog andere, ik denk typisch menselijke eigenschappen die kunnen helpen bij het niet verder uithollen van biodiversiteit, bij het leren leven met al die in het (semi-)wild levende dieren, of het nu de ruwe pissebed is of de wielewaal. Het vermogen om kennis te vergaren en verbanden te zien bijvoorbeeld. Het verband tussen de mol, de gele weidemier, de kleine boomworm, om maar drie soorten uit de reeks te noemen, en een vruchtbare bodem. Wat ook helpt misschien: het vermogen om te verwonderen en te bewonderen. Tijdens het controleren van nestkastjes in de Achterhoek stond ik opeens met vijf jonge steenuiltjes op mijn arm. Dat liet mij niet onberoerd. Zoals het veel mensen niet onberoerd liet in de Achterhoek, zo merkte ik. En dat had toch iets geholpen.

Alle 100 afleveringen van de rubriek ‘Aard van het beestje’, inclusief de illustraties, zijn verzameld in het boek Aard van het beestje – De beekprik, de wielewaal en 98 andere landgenoten. Atlas Contact; € 29,99.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next