Home

Hij maakt niet de indruk gewond te zijn, eerder levensmoe, alsof hij nooit meer wil opstaan

Er fietst een oudere man voor me. Hij draagt een geel windjack en een blauwe fietshelm en zit rechtop op zijn fiets. Totdat hij eraf valt. Dat gebeurt midden in een scherpe bocht. De banden van zijn elektrische fiets zijn behoorlijk breed, maar verliezen hun grip op de klinkers en de blaadjes. Zijn fiets glijdt schuin onder hem vandaan, hij valt op zijn zij en rolt door totdat hij plat op zijn rug ligt. Zo blijft hij even liggen, midden in de bocht. Hij slaakt een zucht. Hij maakt niet de indruk gewond te zijn, eerder levensmoe, alsof hij nooit meer wil opstaan. Ik stap af en ga door mijn hurken. ‘Alles oké?’, vraag ik. Hij knikt. Het ronde gezicht onder zijn blauwe helm is uitdrukkingsloos. Het gezicht van iemand die er helemaal klaar mee is.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Dan zie ik de man in de scootmobiel. Hij staat aan de binnenkant van de bocht en ziet er met zijn gekamde grijze haar, keurige pantalon en nette schoenen zeer patent uit. Het is een linke bocht, vertelt hij. Hij komt hier elke dag langs en houdt dan net voor de bocht stil, omdat je nooit weet wat er plotseling om de hoek kan komen. Ik help de gevallen man rechtop te zitten. Hij legt zijn hand op zijn borst, half in zijn oksel en even ben ik bang dat hij nu een hartaanval krijgt. Maar hij heeft alleen wat pijn op de plek waar hij is gevallen. Zijn pink bloedt en er zitten een paar rode vlekken op zijn gele jas. ‘Moet je ver?’, vraag ik. ‘Nee’, zegt hij, ‘ik kom net van mijn zoon vandaan, hier om de hoek.’ Ik stel voor om hem daar weer even naartoe te brengen. ‘Nee’, zegt hij, ‘het gaat denk ik wel.’

De man op de scootmobiel knikt naar de elektrische fiets. ‘Gaan snel hè, die dingen.’ Valt best mee, wil ik zeggen, maar zeg ik niet. ‘Te snel’, klinkt het achter me. Daar staat blijkbaar nóg een man met grijs haar. Deze heeft dunne, zilveren krullen, draagt een bril met een rond montuur en heeft een ietwat spottende glimlach om zijn mond. In de stad voelde ik me, tussen alle twintigers en vroege dertigers met hun meedogenloos rimpelloze gelaten nog wel eens oud en versleten. Dit is, nou ja, weer anders. ‘Moet ik echt niet even mee?’, vraag ik de man. ‘Nee’, zegt hij weer, ‘het lukt denk ik wel.’ Hij kijkt iets minder levensmoe uit zijn ogen. Niet veel, maar voldoende om het allemaal nog maar eens een kans te geven. De zilveren krullen hebben genoeg gezien en fietsen weer verder. De scootmobiel rijdt door. Ook de man met de blauwe helm en ik vervolgen onze wegen. In de bocht is de rust wedergekeerd. Eindelijk.

Source: Volkskrant

Previous

Next