Het was zondag en ik wilde naar het strand. Dat is een kwestie van de trein nemen en op Zandvoort uitstappen, maar het mooie weer maakte een onvermoede daadkracht in me los. ‘Ik neem mijn fiets mee in de trein’, zei ik tegen mezelf. ‘Ik stap in Overveen uit, en dan ga ik het laatste stuk fietsen.’
Kon dat? Ja, zo verzekerde de site van de NS me. Ik kocht een kaartje van 7,50 euro voor mijn fiets en reed naar het station. Daar deed zich een vraagstuk voor: hoe kom je met je fiets op het perron? In de kolkende drukte begon ik hem de steile trappen op te sleuren. Boze blikken. ‘Mevrouw. Er is een lift voor fietsen. Achterin.’ zei een NS-medewerker. Met de fiets aan de hand liep ik naar de achterkant. Daar was inderdaad een lift. Hij rook van binnen scherp naar pis.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Mijn fiets paste er niet in, ook niet toen ik het stuur helemaal omgooide en dus min of meer dubbelklapte. Pas toen ik de achterkant een halve meter omhoog tilde, ging de deur dicht en begon de lift te stijgen, om vervolgens, halverwege de begane grond en de eerste verdieping, stil te blijven staan. Op knoppen drukken hielp niet. Roepen ook niet. Stampen, na een minuut of tien, wél. Verhit kwam ik boven en rende naar het perron, waar ik mijn trein nét zag vertrekken.
Een half uur later kwam de volgende. Uit beleefdheid wachtte ik tot alle andere mensen waren ingestapt en duwde toen mijn fiets naar binnen. Het was warm en het gangpad stond vol kinderwagens. Zuchtend begonnen de ouders plaats te maken voor mijn fiets. Ik kon hem nét tussen een slapende baby en een krijsende peuter wringen. Zelf moest ik staan, met mijn neus in de oksel van een zwetende jonge vader. Vanaf zijn blote schouder staarde een bleekblauwe, likkebaardende haai me in het gezicht.
De trein was een boemeltje dat stopte bij stationnetjes als ‘Halfweg-Zwanenburg’ en ‘Haarlem-Spaarnwoude’. Mijn fiets stond zó wankel dat hij bij elke hobbel dreigde om te vallen, afwisselend op de slapende baby en de krijsende peuter. Met allengs verkrampende armen hield ik hem in bedwang. De ouders keken naar me als bloedhonden naar een mank konijn.
Daar doemde eindelijk dat verdomde Overveen op. Rood aangelopen begon ik mijn fiets naar de uitgang te wringen. Daarbij schampte mijn trapper de blote kuit van de jonge vader. ‘Kanker op met die kankerfiets, kankerwijf!’, jammerde hij.
En ik moest dus nog helemaal terug ook.
Source: Volkskrant