Engeltje Jongkind-Gelein is 100 jaar. Hoe kijkt deze nuchtere Aalsmeerse terug op de eeuw die achter haar ligt?
Engeltje Jongkind-Gelein woont op loopafstand van het verzorgingshuis waar ze tussen de middag aanschuift voor de warme maaltijd. De thuiszorg houdt haar appartement schoon en er komt elke dag een verpleegkundige langs voor haar medicijnen en om een broodje te smeren voor in de avond. Vandaag is dat een bruine boterham met makreel. Die krijgt de 100-jarige opgediend op een houten broodplank. ‘Die is al 80 jaar oud’, mompelt ze, ‘gekregen bij mijn bruiloft in 1942 van Dirk Schoen, die had een winkel in ons dorp.’ De broodplank is niet het enige gebruiksvoorwerp uit haar eerste huwelijksjaren dat nog in haar keukenkastjes te vinden is. ‘De stamper heb ik ook nog, daar was destijds moeilijk aan te komen.’
Engeltje Jongkind heeft een charmante lach, een zeer nuchtere kijk op het leven en moet volgens haar jongste zoon ‘een vurig meisje’ zijn geweest.
‘Nou, dat kan ik niet zeggen. Als kind werd ik vaak ‘engel met een b ervoor’ genoemd, haha. Op mijn rapport had ik voor gedrag een 5 en voor vlijt een 6. Ik was een straatmeid, altijd buiten aan het spelen. Als jongste thuis liep ik elke dag met mijn vijf jaar oudere broer Coen naar de openbare lagere school. Mijn ouders waren Nederlands-hervormd, maar mijn vader vond dat een school bedoeld was om te leren, en niets met godsdienst te maken had. Op de heenweg kwamen we altijd leerlingen tegen van de katholieke lagere school. Die sloegen we elke ochtend van het trottoir af.’ (Ze balt haar twee vuisten en houdt ze in de vechtstand). ‘Ik keek van mijn broer af hoe ik dat moest doen. Op de terugweg naar huis ging het andersom: dan sloegen de katholieken ons openbaren. Kinderen van de christelijke school kwamen we nooit tegen onderweg.’
‘Het was echt knokken, ik sloeg ze tegen hun kop, meisjes en jongens. Het ging meer om het vechten dan om het geloof. Ik kom in Aalsmeer soms nog jongens tegen uit die tijd. Dan vragen ze: ‘Was jij dat kleine zwarte kreng van Gelein?’ Ik was goed in vechten en had zwart haar. Mijn voorouders komen uit Griekenland, of Bulgarije. Er kwamen weleens ouders bij mijn vader en moeder over mij klagen. Dan kreeg ik een waarschuwing – dat ik niet meer mocht vechten. Maar ik ging door, knokken vond ik leuk, het was mijn hobby.’
‘Als makkelijk. Ik ben geen pessimist. Ik zie niet zo gauw geen gat in iets. Ik ben altijd blij, van: pluk de dag en kijk niet om naar gisteren. Je kunt maar beter zo veel mogelijk genieten van het leven.
‘Ik heb mij altijd een zondagskind gevoeld. Alles heeft mij meegezeten. Ik was een echt vaderskindje. Na het eten ging ik altijd bij hem op schoot zitten, op mijn 18de deed ik dat nog steeds. Mijn broer en zus durfden dat niet, ze waren bang voor mijn vader. Eigenlijk was hij een nare, chagrijnige man die heel driftig kon zijn, ineens uit zijn slof kon schieten. Mijn zus en broer schrokken dan. Ik niet. Overigens was het mijn moeder die de tikken uitdeelde.
‘Ik ben in mijn leven sowieso nooit bang geweest. Ook niet toen tijdens de bevalling van mijn eerste kind, Martin, de Engelsen Schiphol bombardeerden. De schilderijen vielen van de muren en de plantjes van de vensterbank. Het was 13 december 1943, de luchthaven werd helemaal platgebombardeerd, op klaarlichte dag. Wij woonden aan de ringvaart en aan de overkant van het water lag Schiphol, dat was dus heel dichtbij. Ik bleef rustig en zei: ‘Ons huis staat er tenminste nog.’ Even verderop was een woonhuis geraakt. Martin is niet oud geworden. Hij was nog geen 60 toen hij overleed aan een hartstilstand.’
‘Oja, de burgemeester was een NSB’er, en ook een stel kwekers en winkeliers, maar dat wil niet zeggen dat ze allemaal fout waren. Ik deed geen boodschappen bij winkeliers van wie ik wist dat ze lid waren van de NSB. In mijn familie was alleen een zus van mijn moeder lid. De zussen kwamen niet meer bij elkaar. ’
‘Mijn man moest tomaten kweken voor de Duitsers, dat ging via de veiling. In ruil daarvoor hoefde hij niet in Duitsland te werken. Daar kreeg hij een bewijs van. Zo ging dat gewoon. Of Maarten dat lastig vond, weet ik niet. Ik heb hem er in ieder geval nooit over gehoord. Of misschien heeft hij het wel gezegd, maar luisterde ik niet. Ik heb er in ieder geval geen trauma van. Later in de oorlog moest mijn man wel onderduiken, nadat de Duitsers razzia’s in Aalsmeer hadden gehouden omdat ze mannen zochten voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. De hele buurt zat in spanning, ik niet. Maarten verstopte zich onder de vloer bij de buren. Toen het gevaar was geweken, zei hij: dat doe ik nooit weer. Hij hoorde het stampen van de soldatenlaarzen en de Duitsers schoten gewoon door de vloer. Toen twee soldaten ons huis binnenvielen, viel hun oog meteen op de baby in de box, en ze vroegen of ze hem mochten vasthouden. Dat vond ik goed. Het waren ook maar gewone jongens uit Berlijn, met kleine kinderen die ze misten, vertelden ze. Martin vond hun petten en glimmende knopen prachtig. Weet zo’n kind veel. De soldaten vertrokken weer, eentje vergat zijn geweer, ik ben hem achterna gelopen om dat te zeggen.’
‘Ik heb er niets van gemerkt en er nooit iets over gehoord. Ik weet er ook niets over te vertellen. Mijn man en ik brachten illegale kranten, Het Parool en Trouw rond. Daar was helemaal niets moeilijks aan; je kon er gewoon mee over straat.’
‘Mijn man, daar leefde ik mee, we wisten alles van elkaar. We leerden elkaar kennen tijdens het flaneren over de Zijdstraat, hier in Aalsmeer. Dat deed je als jongere op zaterdagavond. Vond een jongen een meisje leuk, dan liep je een stukje met elkaar mee, praatte wat en zo kreeg je verkering.
‘Maarten was een grote man, 1 meter 85. Ik kwam tot zijn schouders en droeg vaak schoenen met hakken van wel 8 à 10 centimeter. Pas heb ik ze weer eens aangetrokken, ze liepen helemaal niet lekker, dus heb ik ze maar weggedaan.
‘Mijn man werkte vanaf zijn 14de bij een cyclamenkweker, zes dagen in de week van 7 uur in de ochtend tot 7 uur in de avond. Hij werkte zich op tot bedrijfsleider. Vanaf de oprichting was hij betrokken bij de PvdA, hij heeft dertig jaar voor die partij in de gemeenteraad van Aalsmeer gezeten, eerst als raadslid, en later als wethouder. Mijn man kwam uit een rood nest. Bij mij thuis was vaders wil wet, mijn moeder had niks in te brengen en was heel slaafs. Maarten was vooruitstrevend. Hij vond dat een vrouw mondig moest zijn. Maar ik was van mezelf al geen slaafs type. Ik zei: ‘Een man mag gerust het hoofd van het gezin zijn, maar ik ben het nekkie waarmee ik ja of nee zeg’.’
‘Nee hoor. Ik heb wel een keer meegedaan aan acties van de Rooie Vrouwen, via de contacten in de PvdA van mijn man. We gingen met een stuk of tien vrouwen een paar keer naar vergaderingen van de SGP, waar geen vrouwen mochten komen. In de vergaderzaal deelden we appels uit aan de SGP-mannen. Die namen ze aan, maar ze belden wel meteen de politie om ons weg te krijgen. Het ging allemaal heel gemoedelijk; zodra de politie kwam, vertrokken we. De volgende vergadering gingen we weer. Het kon mij eigenlijk helemaal niets schelen, wat die SGP deed. Natuurlijk vond ik het grote onzin dat ze vrouwen weigerden, maar dat moesten ze zelf weten. Die SGP’ers bemoeiden zich toch ook niet met mij? Ik lijk op mijn vader, die zei altijd: iedereen moet zich met zijn eigen zaken bemoeien.’
‘Met de tijd komt de boel wel in beweging. Daar hoef ik mij niet mee te bemoeien. Ik deed alleen maar mee aan die acties van de Rooie Vrouwen omdat ik het leuk vond. Moet je mij hebben.’
‘Dan zou ik zeker willen doorleren. Mijn zus en ik mochten van onze ouders niet doorleren na de lagere school, onze broer wel. Ik moest mijn moeder in het huishouden helpen, het tapijt vegen met een harde borstel en het zeil met een zachte. Ook verzorgde ik de puppy’s. Mijn vader was timmerman en fokte daarnaast Newfoundlanders, die voor 80 gulden per pup werden verkocht. De kopers waren notarissen en dokters. Waarvoor ik zou doorleren als ik nu jong zou zijn? Daar ga ik niet over nadenken, want ik ben helemaal niet jong. We moeten wel realistisch blijven.’
Engeltje Jongkind-Gelein
geboren: 30 juli 1923 in Nieuwer-Amstel (nu Amstelveen)
woont: zelfstandig, in Aalsmeer
beroep: huisvrouw
familie: drie kinderen (een overleden), zeven kleinkinderen, acht achterkleinkinderen
weduwe, sinds: 1997
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden