De telefoon van Sigal Rozen blijft maar geluid maken. ‘Sorry’, zegt ze verontschuldigend, ‘deze moet ik echt even nemen. Een alleenstaande moeder is gearresteerd, en haar drie kinderen zitten alleen thuis. Ik hoop haar vanavond nog vrij te krijgen.’
Rozen werkt voor de Israëlische mensenrechtenorganisatie Hotline. De afgelopen weken is ze constant in de weer voor Eritrese asielzoekers die in de cel zitten. Tientallen mensen werden begin september gearresteerd, toen voor- en tegenstanders van het Eritrese regime in Tel Aviv slaags raakten tijdens een festival dat de dertigste verjaardag van dit regime moest markeren.
Over de auteur
Sacha Kester schrijft voor de Volkskrant over België, Israël en het Midden-Oosten. Eerder was ze correspondent in India, Pakistan en Libanon.
De bloedige rellen, waarbij de politie schoot met scherp en er in totaal 170 gewonden vielen, leidden in Israël tot felle reacties: wat moeten die buitenlanders, die ‘illegale infiltranten’ zoals premier Netanyahu hen noemt, in ons fijne land? Ze zijn niet Joods, ze veroorzaken problemen, en de premier zou hen het liefst allemaal op het vliegtuig zetten – maakt niet uit waarnaartoe.
‘Netanyahu heeft in het verleden al op alle mogelijke manieren geprobeerd van de Afrikaanse asielzoekers af te komen’, vertelt Rozen. ‘Maar het Hooggerechtshof heeft hem telkens teruggefloten omdat het indruist tegen het internationale recht.’
Afrikaanse asielzoekers, voornamelijk afkomstig uit Soedan en Eritrea, zijn in Israël een soort schimmen die niet mogen bestaan. Vanaf 2005 vonden enkelen de weg naar dit welvarende land in een straatarme regio, waar zij met verbazing werden ontvangen.
Want asielzoekers, dat was nieuw voor Israël. Vanwege het conflict met de Palestijnen piekeren islamitische vluchtelingen er niet over om hier asiel aan te vragen – ook Syriërs zijn tijdens de burgeroorlog bijvoorbeeld nooit naar deze aartsvijand in eigen regio uitgeweken.
Maar naarmate het aantal Afrikaanse vluchtelingen steeg, groeide ook de weerzin. In 2012 werd een grenshek voltooid. ‘Op dat moment telde Israël 34 duizend Eritrese vluchtelingen’, weet Rozen. ‘Tussen 2012 en 2015 wisten nog zo’n driehonderd mensen binnen te komen, en daarna helemaal niemand meer.’ Ze lacht bitter. ‘Er zijn genoeg Europese organisaties en regeringen die bij ons komen informeren: geen enkele vluchteling, hoe doen jullie dat toch?’
Terwijl Joodse migranten op alle mogelijke manieren worden ondersteund om in Israël een nieuw leven op te bouwen, wordt de Afrikanen duidelijk gemaakt dat zij nooit welkom zullen zijn. Bij de meesten is de asielaanvraag nog steeds niet in behandeling genomen, terwijl ze al 10 tot 15 jaar in Israël wonen. ‘Uit vrees dat de regering hun een status moet toekennen zodra blijkt dat ze er recht op hebben’, legt Rozen uit.
‘Ik heb mijn aanvraag vijftien jaar geleden ingediend, en wacht nog steeds op antwoord’, zegt de Eritrese Kibrom Tewelde (37) met zachte stem. Hij ontvluchtte zijn vaderland nadat een aantal van zijn vrienden waren ‘verdwenen’, en strompelde maanden later de grens met Israël over. ‘Een soldaat ving mij op en het eerste wat hij zei was: ‘Welkom. Je bent nu veilig!’’
Net als bij vele andere Eritreeërs volgde een leven in het zuiden van Tel Aviv, in de goedkopere wijken, waar Tewelde de eindjes aan elkaar knoopte met verschillende baantjes. Omdat ze geen officiële status hebben mogen asielzoekers eigenlijk niet werken, maar omdat ze ook geen uitkering krijgen, wordt arbeid gedoogd.
‘Officieel blijft het illegaal’, legt Rozen uit, ‘maar werkgevers worden niet vervolgd als zij Afrikaanse asielzoekers in dienst nemen. Met als gevolg dat juist gemeenten, de overheid dus, veel Eritreeërs in dienst hebben. Als vuilnisophaler of bij de plantsoenendienst.’
Veel geld verdienen zij niet. Mensen wonen vaak met meerdere families in kleine appartementjes, wat weer overlast in de buurt veroorzaakt. De onzekerheid over hun status, de vijandigheid van de regering en van veel Israëliërs, en hun leven onder het bestaansminimum maken dat zij vooral bezig zijn met overleven. En dat allemaal naast de angst voor de lange arm van het Eritrese regime.
Het maakt mensen schuchter. Aan het einde van de middag komen Eritrese vrouwen hun kinderen ophalen bij de opvang. De kleintjes rennen over het plein tot hun moeder aan het hek verschijnt om hen mee te nemen. Niemand wil praten. Een enkeling zegt dat haar echtgenoot het niet goed zou vinden, de meesten kijken geschrokken weg zodra ze worden aangesproken, stamelen ‘nee’, en zetten het op een lopen.
‘Ze zijn doodsbang’, vertelt één van de medewerkers van de kinderopvang. ‘Voor hun eigen mensen, voor onze regering, en voor de media. Het is een heel kwetsbare groep.’
Tewelde, die bij dezelfde mensenrechtenorganisatie als Rozen werkt, durft echter wel. ‘Ik was bang in Eritrea’, zegt hij. ‘Dat wil ik hier niet weer zijn.’ Hij is ook op andere fronten een uitzondering: Tewelde woont samen met zijn Israëlische vriendin met wie hij twee kinderen heeft. Trouwen kan niet – hij is niet Joods en in dit land kunnen alleen religieuze huwelijken worden gesloten. ‘Maar ik heb geluk’, zegt hij knikkend. ‘Ondanks alles ben ik Israël dankbaar voor dit leven. Maar de meesten van ons?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Ze zijn doodmoe. Ongewenst. En altijd bang.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden