Afgelopen maandag vond de historische levering plaats van een pakketje kosmisch gruis door de Nasa-sonde Osiris-Rex. Nooit eerder werd zo veel materiaal van een verre planetoïde opgehapt en naar aarde vervoerd. Het ongerepte materiaal, restanten van de vorming van het zonnestelsel, kan de historie van de zon en overige planeten, inclusief de aarde, verder helpen ontsluieren. Althans, zodra het materiaal uit elkaar geplozen en geanalyseerd is in menselijke laboratoria.
Die levering vormde daarmee het indrukwekkendste en belangrijkste kosmische nieuws van deze week. Tenminste, vanuit menselijk oogpunt. Wellicht dat er diep in de ruimte op die dag wel een ster ontplofte, twee sterrenstelsels op elkaar botsten, of een zwart gat een miljarden jaar oude planeet verzwolg en daarmee de totale geologische historie van die wereld in één klap uit de realiteit gumde. Alleen haalt zoiets natuurlijk slechts zelden de aardse krantenkolommen.
Er huist dan ook een smakelijke tegenstrijdigheid in de menselijke interesse voor het kosmische. Sturen ruimtevaartagentschappen als Nasa een robotwagentje naar Mars, dan willen ze eigenlijk ontdekken waarom die planeet zo anders is dan de eigen aarde. Speuren astronomen naar buitenaards leven, dan zoeken ze stiekem antwoord op de vraag of de mensheid eenzaam door het universum dobbert, of toch kan rekenen op nog een beetje kosmisch gezelschap. En wanneer een sonde als Osiris-Rex gruis verzamelt op een planetoïde diep in het zonnestelsel, dan hopen wetenschappers daarin bovenal de bouwstenen te vinden waaruit de mens en het overige leven op aarde is ontstaan.
Het lijkt soms wel of de mensheid in deze duizelingwekkende, onbeschrijfelijk grote kosmos, continu zoekt naar manieren om zijn obsessie te voeden met niemand minder dan zichzelf. Als een soort kosmische tegenhanger van dat social-media-account ‘how can I make this about me?’, dat pijnlijke berichten verzamelt van mensen die op de meest ongepaste wijze alleen over zichzelf kunnen praten.
Toch valt die opmerkelijke menselijke zelfingenomenheid op kosmische schaal best te verdedigen. De mens – en de rest van het leven op deze aardbol – is immers het enige leven dat kan denken, voelen en observeren. Het is de enig bekende bron van vreugd, empathie, verdriet en diepgevoelde schoonheid in de kosmos. Dat maakt van de aarde een zeldzame oase vol leven in een verder wellicht volstrekt onbarmhartige, levenloze ruimte.
Zo’n zeldzame oase verdient bescherming. Tegen gevaren uit het kosmische, zoals inslaande ruimtestenen en plotselinge zonnestormen, bijvoorbeeld. En, dat ook, tegen de mensheid zelf. De mens is immers de enige soort die zijn eigen leefgebied uit hebzucht vervuilt met twijfelachtige chemicaliën en die de eigen atmosfeer bedekt met een steeds dikkere deken broeikasgassen.
De kosmos zo overziend, verdient door deze unieke plek in het heelal daarom wel wat meer bescherming. Zodat de mens, wanneer dat pakketje gruis straks ‘onze’ kosmische geschiedenis helpt inkleuren, ook nog een beetje aangename toekomst voor de boeg heeft.
Over de auteur
George van Hal schrijft voor de Volkskrant over sterrenkunde, natuurkunde en ruimtevaart. Hij publiceerde boeken over alles van het heelal tot de kleinste bouwstenen van de werkelijkheid.