Home

Waar gaan we naartoe, wie bepaalt ons lot? De beste treinfilms gaan over wezenlijke vragen

Treinen in films spreken tot de verbeelding: zie je een rijdende trein, dan weet je dat je aan een reis begint. Filmjournalist Pauline Kleijer vraagt zich in haar boek Cinema Express af: hoe bepaalt een trein je levenslot? Een voorpublicatie.

Film begon met een trein: de eerste publieke vertoning van L’arrivée d’un train en gare de La Ciotat, een 50 seconden durende film over de aankomst van een stoomtrein, wordt algemeen beschouwd als het startpunt van de filmgeschiedenis. Maar ook na die primeur uit 1895 zijn de spoorwegen en de cinema elkaar trouw gebleven. Talloze mooie treinfilms – van The Great Train Robbery tot Snowpiercer en van Brief Encounter tot The Darjeeling Limited – zijn het resultaat.

Het is eigenlijk een wonder dat er zo veel treinfilms bestaan, als je bedenkt hoe ingewikkeld het is om ze te maken. Van de drie geijkte methoden – filmen in een echte trein, een treindecor nabouwen en een computeranimatie gebruiken – is geen enkele ideaal. Met computeranimatie is vrijwel alles mogelijk, maar het is tijdrovend, de resultaten zijn niet altijd even overtuigend en de acteurs moeten op de set voor een groen scherm acteren, wat niemand echt leuk schijnt te vinden. Na het aanvankelijke enthousiasme voor alle digitale mogelijkheden komen steeds meer filmmakers daar dan ook van terug.

Neem de Mission: Impossible-reeks: in het eerste deel uit 1996 werd nog volop gebruikgemaakt van digitale effecten. De spectaculaire achtervolgingsscène waarin speciaal agent Ethan Hunt (Tom Cruise) boven op een hogesnelheidstrein richting de kanaaltunnel raast, terwijl een helikopter aan de trein wordt vastgekoppeld, komt grotendeels uit de computer. In de latere Mission: Impossible-films benadrukten de makers, Cruise voorop, juist dat de vele stunts zo veel mogelijk echt werden uitgevoerd.

Voor Mission: Impossible – Dead Reckoning Part One, het zevende deel, stortte in de zomer van 2021 een complete stoomlocomotief van een brug. Geen echte weliswaar, maar een replica op ware grootte; toch iets heel anders dan een computergeanimeerde trein. De neplocomotief viel te pletter in een kalksteengroeve in Engeland.

Het is een echo van een soortgelijke scène bijna honderd jaar geleden. In 1926 nam Buster Keaton een van de beste treinfilms aller tijden op: The General, over een machinist wiens locomotief wordt gekaapt tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. De film is een opeenvolging van stunts, de een nog beter dan de ander. Alles kwam tot stand zonder trucage, zelfs de beroemde (en peperdure) scène waarin een trein over een brandende spoorbrug rijdt en naar beneden stort. De gebruikte locomotief bleef nog jarenlang in de rivierbedding liggen.

Ook Andrej Kontsjalovski, regisseur van het geweldige actiespektakel Runaway Train (1985), werkte met echte treinen. Hij vertelde in interviews dat hij er grijze haren aan had overgehouden. Kontsjalovski filmde dan ook bij ijzige temperaturen in Alaska, maar het moeilijkst was de logistiek: elke keer als er een andere trein passeerde, moest de filmtrein op tijd op een zijspoor worden gezet om een botsing te voorkomen. ‘Je moet een optimist zijn om een film over treinen te maken’, concludeerde hij.

Zijn collega Tony Scott was zo’n optimist. Voor zijn actiefilm Unstoppable (2010), over een trein die op hol slaat, huurde hij elf treinen en liet er nog een aantal nabouwen, zodat hij bijna alle stunts daadwerkelijk kon uitvoeren. Zo liet hij een trein van bijna 100 meter lang ontsporen, een waagstuk dat door veertien camera’s (waarvan een aantal in helikopters) tegelijk werd vastgelegd. Acteur Denzel Washington had op de set algauw door hoe de verhoudingen lagen: ‘De trein speelt de hoofdrol, niet ik’, zei hij.

Ook treinfilms waarin geen grote ongelukken of achtervolgingen voorkomen, zijn helemaal niet zo eenvoudig te maken. Het is verdraaid lastig om in een echte trein te filmen. Regisseur Juho Kuosmanen, die voor zijn fraaie film Hytti Nro 6 (2021) een bestaande Russische trein gebruikte, rijdend en wel, omschreef het belangrijkste probleem in een interview met de Volkskrant: ‘Als er ook maar iets moest worden aangepast in de coupé, door de lichtafdeling, of de afdeling rekwisieten, of die van het geluid, moest iedereen eerst de coupé uit en er daarna weer in.’

Een trein is gewoonweg te krap voor een gemiddelde filmcrew.

Hinderlijk is ook dat er in een normale trein aan twee kanten ramen zitten. Dat is onhandig voor de cameraman, die moet uitkijken dat hij maar aan één kant het uitzicht filmt, want anders zou het lijken alsof de trein ineens de andere kant op rijdt – voor de kijker glijdt het landschap dan in omgekeerde richting voorbij.

De Franse regisseur en auteur Alain Robbe-Grillet maakte hier in zijn film Trans-Europ-Express (1966) juist gebruik van. Hij vond het een interessant vervreemdend effect. ‘Het is alsof je eerst op de heenweg bent en dan op de terugweg’, zei hij.

Robbe-Grillet, die zijn experimentele misdaadfilm opnam in de trein van Parijs naar Antwerpen (de Trans-Europ-Express, destijds hypermodern, was de voorloper van de Thalys), zette de kijker in wel meer opzichten op het verkeerde been. In de film speelt Jean-Louis Trintignant een drugssmokkelaar, maar tegelijk toont Robbe-Grillet het ontstaansproces van de film: een regisseur (gespeeld door Robbe-Grillet zelf), een producent en een assistent bedenken het scenario terwijl ze mét Trintignant in de Trans-Europ-Express rijden. Een treinfilm in een treinfilm.

De meeste regisseurs maken gebruik van een nagebouwde trein. Vaak wordt dan gefilmd in een half-rijtuig, een trein die als het ware in de lengte is doorgezaagd. Aan één kant zitten de acteurs op hun treinbankjes, aan de andere kant is het open, zodat de crew alle ruimte heeft. Het half-rijtuig kan over een spoor bewegen, maar er is een nog goedkopere optie: een stilstaande cabine waar een hefboom aan wordt bevestigd, om toch het effect van een schommelende rijdende trein te krijgen. Voor een echt houtje-touwtje-effect kan het uitzicht uit het treinraam heel ouderwets met voorbijdraaiende platen worden gecreëerd.

Het is maar net wat het budget van de film is, of hoezeer de filmmaker hecht aan realisme. Ter vergelijking: voor slechts een paar filmminuten in de western True Grit (2010) huurden de broers Joel en Ethan Coen een volledige, echte stoomtrein in, terwijl Wes Anderson voor zijn treinscènes in The Grand Budapest Hotel (2014) een piepklein half-rijtuig liet bouwen dat met de hand over een provisorisch spoorlijntje werd geduwd.

Filmmakers weten dat de trein tot de verbeelding spreekt. Opvallend veel films beginnen met beelden van een rijdende trein of van het spoor, als om aan te geven dat de filmkijker aan een reis begint. Het is een fijn begin, dat laat zien dat alles nog open ligt. De film kan goed of slecht zijn, saai of spannend – de enige zekerheid is dat we worden meegenomen.

Heel vaak vertegenwoordigen de spoorwegen in een film het levenslot. De symboliek is voor de hand liggend, maar effectief en veelzijdig. Met vrijwel alle aspecten van het treinreizen kun je ermee uit de voeten. De trein kan levens met elkaar verknopen: of je in een bepaalde trein stapt, bepaalt wie je ontmoet en daarmee het vervolg van je levensloop. Alfred Hitchcock, een groot treinliefhebber, gebruikte het als uitgangspunt in films als Strangers on a Train, The Lady Vanishes en North by Northwest.

Om het gegeven kracht bij te zetten, is vaak in films te zien hoe iemand op het nippertje in een vertrekkende trein springt. Wes Anderson begint zijn treinfilm The Darjeeling Limited (2007) met zo’n haalt-hij-het-wel-of-net-nietscène. Peter (gespeeld door Adrien Brody) moet eindeloos achter de rijdende trein aanrennen waar zijn broers al in zitten. Een soortgelijke scène zit aan het eind van de film, een beeldrijm dat de kijker eraan herinnert wat Peter allemaal gemist zou hebben als hij die eerste trein niet had gehaald.

De trein kan de rol van het toeval illustreren, maar ook een symbool zijn van voorbeschikking. De spoorbaan is dan de geijkte metafoor. De rails zijn onbuigzaam: de wissels zorgen voor vertakkingen die leiden naar verschillende bestemmingen, maar de route en het tempo zijn van tevoren bepaald. Eenmaal in de trein legt het vervoermiddel zijn wil op aan de passagiers.

Vandaar dat een ontsnapping uit een rijdende trein, zoals in Jean-Pierre Melvilles politiefilm Le cercle rouge (1970), zo’n indruk maakt. De crimineel die het treinraam vernietigt en naar buiten springt, doorbreekt de regels: hij spot met zijn lotsbestemming. Na zijn val komt hij terecht in een niemandsland, waar hij alleen nog een schaduwbestaan kan leiden.

Het is niet verwonderlijk dat treinen vaak opduiken in het werk van de Poolse regisseur Krzysztof Kieslowski. Het lot speelt een grote rol in zijn films; vrijwel al zijn personages krijgen te maken met een sturende hand.

In een van zijn vroegste speelfilms, Blind Chance (1981), gemaakt tijdens het regime van generaal Jaruzelski, laat Kieslowski drie mogelijke uitkomsten zien in het leven van een jonge Pool. Afhankelijk van het feit of de medicijnenstudent een trein haalt, schetst de film het vervolg. Hij sluit zich aan bij de communistische partij, hij gaat bij de oppositie, of hij houdt zich verre van politiek. Een ideaal scenario bestaat niet: uiteindelijk leiden alle wegen naar ontgoocheling.

In La double vie de Véronique (1991), over een jonge Poolse vrouw die een dubbelganger heeft in Frankrijk, diepte Kieslowski het thema opnieuw uit. Is het mogelijk twee verschillende levens te leiden, of in ieder geval een sterke lotsverbondenheid te voelen met een vreemde? Kun je twee sporen tegelijk volgen?

De scène waarin Irène Jacob, die beide hoofdpersonages speelt, met de trein reist en door een glazen knikker naar buiten kijkt, biedt alle ruimte aan dergelijke overpeinzingen. Door het prisma van de knikker ziet ze de wereld op zijn kop. Een gekantelde werkelijkheid, waarbij het voortglijdende landschap staat voor alles wat ze achter zich laat.

De scène maakt duidelijk waarom treinen zo geschikt zijn voor introspectie. Het bewegende uitzicht confronteert je met het verstrijken van de tijd: net als de klok gaat de trein maar één kant op, alles wat achter je ligt komt niet meer terug. De trein biedt ook voortdurend inkijkjes in de levens van anderen, of het nu medereizigers zijn of degenen van wie je door het raam een glimp opvangt – op straat, in hun huizen, of onderweg in een passerende trein. Vroeg of laat fantaseer je over hoe het zou zijn dat andere leven te leiden. Hoe het is om in die andere trein te zitten.

Als treinen het lot vertegenwoordigen, is een logische vraag wie dat lot bepaalt. Wie is de machinist en wie bepaalt de dienstregeling? Voor Kieslowski was de vraag belangrijker dan het antwoord. Zijn films laten zich lezen als een beschouwing op keuzevrijheid. Optimisten zullen uit Kieslowski’s treinmetafoor de boodschap halen dat we ons lot in eigen hand hebben. Als de bestemming niet bevalt, dan is er immers altijd nog een andere trein, een ander uitzicht.

Het omgekeerde valt ook te beargumenteren, want eenmaal in een trein trek je niet zo gemakkelijk aan de noodrem. Wat de conclusie ook is, de beste treinfilms gaan over wezenlijke vragen: ze maken ons bewust van ons eigen spoor, de wissels en het reisschema.

Pauline Kleijer: Cinema Express: Over treinfilms en filmtreinen (verschijnt 1/10)
Uitgeverij Fragment; 88 pagina’s; €19,50

Op zondag 1 oktober vertoont filmtheater Het Ketelhuis in Amsterdam drie treinfilms, ter gelegenheid van de boekpresentatie van Cinema Express. Op het programma staan The Lady Vanishes, een vroege Hitchcock-misdaadfilm uit 1938, de romantische klassieker Brief Encounter (David Lean, 1945) en het Finse drama Hytti Nro 6 (2021).

De mooiste trein is de langeafstandstrein. Een treinrit wordt tenslotte pas echt een reis wanneer er een grote stapel koffers aan te pas komt, een vertrekbord met verre bestemmingen, een slaapcoupé, een restauratiewagon en een conducteur die verschillende talen spreekt. Filmmakers hebben dankbaar gebruikgemaakt van de reisromantiek en de creatieve potentie van de langeafstandstrein. Zet een aantal vreemden voor langere tijd bij elkaar in een rijdende trein en de mogelijkheden voor drama en suspense zijn eindeloos.

Geen wonder dat sommige van de beste treinfilms zijn vernoemd naar zo’n lang treintraject. Denk aan Shanghai Express (1932, met Marlene Dietrich als de avonturier ‘Shanghai Lily’), Night Train to Munich (1940, een Britse oorlogsthriller met vooruitziende blik), Sleeping Car to Trieste (1948, een fijne komische misdaadfilm die een remake was van Rome Express uit 1932) en natuurlijk de verschillende verfilmingen van Agatha Christies moordmysterie Murder on the Orient Express. Inderdaad: vooral films uit de gloriejaren van het langeafstandstreinverkeer (en stuk voor stuk het herontdekken waard). Nu een revival van lange treinverbindingen op handen lijkt, levert dat hopelijk ook meer langeafstandstreinfilms op.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next