Home

De buren kwamen niet opdagen bij de opvang voor jonge asielzoekers en ergens was dat goed nieuws

Op de markt van aanbod van asielzoekers bestaat een rangorde. Onderaan in het schap liggen de gevluchte tieners, gemeenten zien vooral jongens als een recept voor gedoe en overlast.

Afgelopen week moest staatssecretaris Eric van der Burg met minderjarige asielzoekers door het land leuren alsof het geen pubers zijn die hopen op een nieuw bestaan, maar afgedankte conserven van een B-merk.

Terwijl Van der Burg onwillige gemeenten probeerde te verleiden tot het afnemen van zijn waar, was het toevallig Nationale Burendag. Op Nationale Burendag openen locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) de deuren voor de buren.

(Je zou zeggen: als je draagvlak wilt, kun je beter gewoon elke middag de deur openen voor de buren, maar het COA is een ambtelijke organisatie, gedachten lopen daar anders).

Ik belandde in de bossen van Lochem, bij een hotel in de categorie het-moet-toch-opgeknapt-worden, op loopafstand van een straatje met witte villa’s. Nog niet zo lang geleden zaten hier toeristen uit eigen land onder de parasols op het terras.

De huidige gasten zijn 65 minderjarige asielzoekers, twee per kamer, jongens van vooral 16 en 17 jaar uit Syrië, Eritrea en Somalië. Het hotel in Lochem is noodopvang zoals de staatssecretaris er meer van wil, terwijl gemeenten tegensputteren.

De buren zag ik niet gelijk. Wel de bewoners. Een 17-jarige jongen uit Eritrea, tien maanden in Nederland, demonstreerde zijn racefiets, een oude Gossini, die hij in bruikleen heeft van een COA-medewerker.

‘100 kilometer per dag gaat makkelijk, 120 is een beetje moeilijker’, vertelde hij in houterig maar verstaanbaar Nederlands. Ter geruststelling: ‘Ik leer nu ook remmen.’

Vier jongens uit Somalië gingen rond met zelfgebakken samosa’s. Ze ontvluchtten Somalië omdat daar ‘problemen’ zijn, in de vorm van ‘terroristische organisaties’. ‘Ik wil sociaal werker worden’, verklaarde eentje. ‘Ik krijg nu zelf hulp. Later wil ik andere mensen helpen.’

Anderen hadden iets kinderlijks. Ze wilden ‘voetballer’ worden. Trots vertelden ze over de ‘vakantie’ laatst – een dagje naar Arnhem. Een 17-jarige jongen uit de Syrische stad Deir-al-Zor (‘daar is steeds opnieuw oorlog’), begon over zijn hobby in Nederland: zwemmen.

‘Zwemles,’ verduidelijkte een COA-medewerker. Zwemles bleek het enige georganiseerde sportuitje. De locatiemanager, een hartelijke vrouw, ze noemde de jongens ‘overlevers’, zou graag willen dat ze instromen bij gewone sportclubs. In bestaande teams, zoals gewone tieners. ‘Maar dat is voor Lochem een beetje te veel.’

Realitycheck: wat je ook van het asielsysteem vindt, deze jongens komen uit erkend onveilige landen, ze zullen bijna allemaal in Nederland blijven. Het is in ieders belang dat ze zo snel mogelijk integreren.

Maar dat blijkt lastig. De Nederlanders buiten het COA-personeel die ze kenden, dat bleken niet de buren, maar de docenten van de Internationale Schakelklas. Ze kwamen langs op de open dag.

Deze jongens? Allemaal een trauma, vertelden de docenten. ‘Je merkt het als je dicht langs ze loopt, of ze opeens aanraakt, hoe ze dan schrikken.’ Ze staan onder grote druk van hun familie om te presteren. Zoonlief kan beter niets laten horen dan slecht nieuws vertellen.

Maar op Valentijnsdag maakte bijna iedereen een kaart voor zijn moeder – ‘je voelde de heimwee door de klas gaan’. Er zijn erbij die instromen op een Nederlandse middelbare school zodra hun papieren in orde zijn, maar ook jongens die de letters van hun naam verhaspelen.

Het COA wil geen meisjes in hotels als deze, vanwege gebrek aan toezicht op de kamers. Gemiste kans, vonden de docenten. Meisjes zijn ‘haantje de voorste’. Die staan ‘bij rollenspellen vooraan’. De jongens, in een groep zo verlegen als wat, ‘durven dan ineens ook’.

Buren zag ik nauwelijks. Maar uiteindelijk trof ik een echte buurman, woonachtig op het ‘perceel hier beneden’. Hij deed een ‘suggestie voor verbetering’: de bus naar de taalschool moest niet meer voor zijn perceel stoppen, daar had hij last van. Peuken in de struiken. Koffiebekers. Lawaai.

Maar verder viel de overlast mee. 65 buitenlandse jongens pal naast zijn perceel, hij had het erger gedacht. Dat er weinig buren naar de open dag kwamen, leek hem goed nieuws. ‘Het betekent dat iedereen hier relatief weinig overlast ervaart.’

a.vanes@volkskrant.nl

Source: Volkskrant

Previous

Next