Lodewijk Asscher heeft maandag in de verhoorzaal aan één woord genoeg om de harde fraudewet te kenmerken die hij als minister van Sociale Zaken in Rutte II moest uitvoeren. ‘Slecht’, zegt de PvdA’er resoluut tegen de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening. Sterker, al in zijn eerste maanden had hij naar eigen zeggen door dat de wet veel te hardvochtig uitpakte.
Het is een opvallende uitspraak, zeker omdat Asscher het lang naliet om de wet te veranderen die hij in 2012 erfde van zijn voorganger Henk Kamp (VVD). Om die reden is Asscher immers naar de verhoorzaal geroepen. Weliswaar voerde Kamp de harde fraudewet in; onder Asschers ministerschap werd deze uitgevoerd. De wet introduceerde hoge boetes voor uitkeringsgerechtigden die gegevens verkeerd invoerden. Ook na een kleine fout konden zij als fraudeur worden bestempeld.
Over de auteur
Hessel von Piekartz is politiek verslaggever voor de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid, pensioenen en sociale zekerheid. Hij werd in 2022 genomineerd voor de journalistieke prijs De Tegel.
Lees hier alles over de Tweede Kamerverkiezingen 2023.
Ondervragers Farid Azarkan (Denk) en Thierry Aartsen (VVD) wijzen Asscher er al snel in het verhoor op dat er genoeg signalen waren dat de wet in de praktijk hardvochtig uitpakte. Niet alleen Kamerleden trokken aan de bel, ook de uitvoerders die de harde aanpak in de praktijk moesten brengen, kwamen al snel na invoering op 1 januari 2013 met zorgelijke verhalen.
Die signalen bereikten ook het ministerie, erkent Asscher. Al in de eerste maanden van zijn ministerschap kwamen de verhalen bij hem terecht. Zo meldde het UWV bij een overleg in het voorjaar van 2013 dat er problemen waren met zogenoemde ‘zelfmelders’. Het ging dan om mensen die zelf aangeven dat ze te veel uitkering ontvingen door een vergissing, maar toch een flinke boete moesten betalen. ‘Die zaten met de handen in het haar’.
Volgens Asscher was het daardoor voor hem al snel duidelijk dat het beleid ‘te heftig en te streng’ was en dat hij dus te maken had met een ‘slechte’ wet. Dat wekt verbazing bij ondervrager Farid Azarkan (Denk). Hij wijst Asscher erop dat hij de wet in datzelfde jaar nog verdedigde tegenover de Kamer en in kritische Kamerleden antwoordde dat er ‘weinig klachten’ waren en dat de uitvoering van de wet ‘positief’ was.
‘Ik dacht al dat u daar naar zou vragen’, reageert Asscher. Hij wil die discrepantie graag uitleggen, zegt hij. ‘Als minister ben je gehouden aan de wetgeving zoals die is’, gaat hij verder. ‘Je kunt bij je aantreden niet zeggen; deze wet bevalt me niet, die schoppen we opzij.’ Tegelijkertijd kun je volgens Asscher best een ‘eigen opvatting’ ontwikkelen dat ‘de wet eigenlijk moet veranderen’.
Als minister kon hij die eigen opvatting niet zomaar naar voren brengen, benadrukt Asscher. Dat komt doordat het ‘kabinet met één mond spreekt’. ‘Je kunt niet zeggen; die wet moet gewijzigd worden, tenzij het de opvatting is van het kabinet.’ Die gedeelde opvatting was er toen nog niet. Zo was coalitiepartner VVD voorstander van het harde fraudebeleid. De oud-minister werd in die tijd in debatten erop aangesproken dat hij gemeenten die ‘niet genoeg achter fraude aan gingen’ niet hard genoeg ‘aanpakte’.
In eerste instantie probeerde Asscher daarom te zoeken naar soepeler beleid binnen de bestaande wet, vertelt hij. Zo liet hij zijn ambtenaren onderzoeken of gemeenten en organisaties als het UWV meer ruimte konden krijgen om af te wijken van de hoge boetes. Maar vanwege juridische obstakels bleek dat niet mogelijk. ‘Het zat me niet lekker’, zegt Asscher daarover. ‘Maar als het echt tegen de wet is, kunnen we daar niet mee verder’.
Doordat de signalen over misstanden zich bleven opstapelen, raakte Asscher er naar eigen zeggen steeds meer van overtuigd dat de wet aangepast moest worden. Hij liet zijn ambtenaren onderzoek daarnaar doen, maar politieke ruimte daarvoor ontbrak nog altijd.
Pas toen de Centrale Raad van Beroep, een van de hoogste bestuursrechters, eind 2014 de fraudewet op meerdere punten onderuit haalde, kwam die ruimte er. Asscher kondigde daarop aan de wet te herzien en kon inmiddels op flinke steun van de Kamer en zijn eigen partij rekenen. Opvallend genoeg bleef coalitiepartner VVD zelfs na het harde oordeel van de bestuursrechter fel gekant tegen wetswijziging. Volgens Asscher was de wet een ‘soort kroonjuweel’ voor de partij.
Vooral Henk Kamp, toen minister van Economische Zaken, was kritisch over aanpassing. Net als de VVD-fractie vond hij het volgens Asscher nog steeds een ‘prima wet’ en moesten mensen zich ‘maar aan de regels houden’. Om de VVD alsnog mee te krijgen, werd afgesproken de wetswijziging met Kamp af te stemmen. Hoewel het fraudebeleid helemaal niet meer onder Kamps verantwoordelijkheid viel, noemt Asscher dat achteraf een ‘logische afspraak’ om steun in de coalitie te krijgen.
Volgens Asscher was de weerwil van de coalitiepartner een van de redenen dat de wetswijziging uiteindelijk langer duurde dan hij had gewild. Bovendien kon hij niet alle versoepelingen doorvoeren die hij naar eigen zeggen wel had gewild omdat hij daarmee mogelijk de VVD tegen zich in het harnas zou jagen.
Uiteindelijk stemde de VVD overigens tegen de aanpassing, de wetswijziging werd met steun van de oppositie aangenomen. Op de vraag of Asscher met die kennis achteraf misschien had ingezet op een ambitieuzere wijziging, antwoordt Asscher dat hij dan bang was voor nog meer vertraging. De versoepelingen kwamen ‘misschien later dan wenselijk’, erkent Asscher. ‘Maar ik ben blij dat ik dankzij de Kamer en de Centrale raad van Beroep wel degene ben geweest die de wet heeft aangepast.’
Al direct na invoering van de fraudewet kwamen er bij Kamerleden signalen binnen over de desastreuze gevolgen voor burgers. Dat vertelde CDA-Kamerlid Pieter Heerma maandag tegen de enquêtecommissie. Ook bij werkbezoeken bij uitvoeringsorganisaties zoals gemeenten en het UWV, hoorde Heerma verhalen van mensen die ‘enorm met de wet worstelden’. Het beleid pakte direct zo hardvochtig uit dat zij ‘vanuit hun persoonlijke integriteit’ op zoek gingen naar menselijker beleid.
Zo vertelde een medewerker van een uitvoeringsorganisatie dat ze het bedrag dat mensen te veel hadden ontvangen soms bewust lieten oplopen zodat het boven de grens van 50 duizend euro kwam. Dan kwam de fraudezaak namelijk terecht in het strafrecht in plaats van het bestuursrecht. In het strafrecht kregen ze een ‘veel eerlijker behandeling’ dan in het bestuursrecht, waar iemand volgens de fraudewet op een boete kon rekenen van 100 procent van het fraudebedrag. ‘En dan is het einde leven’, citeerde Heerma de medewerker.
Uiteindelijk waren de signalen uit de samenleving voor Heerma reden om het verkiezingsprogramma van zijn eigen partij - waarin ook gehamerd werd op een harde fraudeaanpak - te laten varen. Dat was volgens de CDA’er een ‘worsteling’. Hoewel hij eerst nog wel terughoudend was om de wet aan te passen, hamerde hij daar later met collega’s wel op.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden