‘Lach maar’, zei Caroline van der Plas zaterdag tijdens het partijcongres van BBB, ‘22 november lachen wij’. Ze refereerde aan het hoongelach in de Kamer tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Of nou ja, hoongelach? Als een volleerd comedian bespeelde ze haar collega’s. ‘Ten tweede heb ik al heel vaak aangegeven dat wij ons programma niet bij het CPB laten doorrekenen’, zei ze, ‘omdat het CPB, die gaat uitrekenen wat het allemaal kost, en wij willen zo graag…’.
Keurige set-up, perfecte punchline, lachende zaal. Er zijn weinig politici met zulke goede komische timing als Van der Plas. Sterker nog: er zijn weinig comedians met zulke goede timing. En dat meen ik. Ik bedoel niet: ach, wat is ze toch dom en wat is dat toch om te lachen. Ik bedoel dat ze het écht onder de knie heeft. Een amateur zou de punchline als punchline brengen: ‘wat het allemaal kóst!’, en dan wachten op de lach. Een goede comedian weet dat het grappiger is om te doen alsof je niet begrijpt wat er zo grappig is. Je praat gewoon door en kijkt verbaasd de zaal in als het publiek begint te lachen.
Perfect gedaan dus. Door de grap was alle aandacht gericht op Van der Plas en haar – nogal wankele – theorie dat de doorberekeningen van het CPB ongeschikt zijn om de haalbaarheid van partijprogramma’s te toetsen. Toch werd het lachen van de Kamer in de meeste media uitgelegd als uitlachen en ook dát is wat Van der Plas beoogde. Ze manoeuvreert zichzelf zo in de positie van de underdog en ze weet hoe waardevol dat is in aanloop naar de verkiezingen.
Dat we in Nederland graag op de underdog stemmen, weten we al sinds 2003. In de zoektocht naar een nationaal idool kozen we toen massaal voor sulletje Jamai boven halfgod Jim. Jamai kreeg maar liefst 75 procent van de stemmen. Dat was ’m van harte gegund, maar de gevolgen waren uiterst pijnlijk; in de internationale versie van het programma, waarin de winnaars uit elf verschillende landen het tegen elkaar opnamen, werd Nederland allerlaatste. Na zijn vertolking van Elton Johns Sorry Seems to Be the Hardest Word kreeg Jamai de volle laag van de World Idol-jury: ‘Er is niets unieks aan je stem. Je bent niet meer dan een goede amateur. Wat doe je hier?’
Het aanmoedigen van de underdog is bij talentenjachten of sport goed te begrijpen. Een onverwachte winnaar ontroert, daar worden Hollywoodfilms over gemaakt. Hoe meer politieke verslaggeving lijkt op entertainment- of sportverslaggeving, hoe groter het voordeel van de underdog dus is. In 2011 werd Donald Trump tijdens het Correspondents’ Dinner belachelijk gemaakt door president Barack Obama. De politieke elite lachte hem recht in zijn gezicht uit en zo kreeg hij de underdog-rol in de schoenen geschoven. Dat het heeft bijgedragen aan zijn uiteindelijke verkiezingsoverwinning in 2016, lijdt geen twijfel.
Een underdog mag het spel net wat smeriger spelen. Iedereen begrijpt dat NEC het tegen Feyenoord niet alleen redt met mooi combinatievoetbal. Dat tijdrekken en vervelende overtredingen nodig zijn om überhaupt kans te maken. Van een topdog mogen we meer klasse verwachten. Iedereen heeft wat mij betreft het recht om een tijdje te genieten van de voordelen van de underdog, ook Caroline van der Plas. Maar als je status verandert, moet je ook afstand nemen van die rol. We mogen niet toestaan dat iemand eindeloos de uitdager van de macht blijft uithangen. Op een gegeven moment ben je zelf de macht. Wat er gebeurt als een topdog zich hardnekkig blijft gedragen als underdog, hebben we in de Verenigde Staten kunnen zien.
Over de auteur
Thomas Hogeling is schrijver en deze zomer columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.