In tegenstelling tot de meeste mensen is voor de Amsterdamse kunstenaar Babs Bakels, begin 50, de dood haar favoriete gespreksonderwerp. Wanneer ik haar voor mijn interviewserie ‘Sterveling’ spreek, verhaalt ze over de tegengestelde reacties die haar ten deel vallen: afkeer en fascinatie. ‘Heb je niet iets gezelligers?’, luidt de gangbare poging het onderwerp te torpederen. Voorbij die horde van schrik komen de vragen. Dan blijkt er sprake van interesse en zelfs fascinatie voor ‘de enige zekerheid in ons leven’.
Die ambivalentie tekent onze verhouding tot de dood. In de media is in de afgelopen jaren sprake van een ware doodshausse, de coronapandemie is daar ongetwijfeld mede debet aan. Alleen al deze krant bevatte drie series met een hoofdrol voor de dood, plus afzonderlijke interviews met stervenden of nabestaanden. In andere kranten, tijdschriften en op televisie is de dood niet minder populair. Zo maakte Paul de Leeuw onlangs een serie over jongeren met een levensbedreigende ziekte, zijn er vele jaargangen van tv-programma’s als Over mijn lijk en De Kist, wemelt het in boekhandels van persoonlijke getuigenissen en zijn op sociale media stervensprocessen te volgen. Aan de behoefte te delen is ogenschijnlijk bepaald geen gebrek, net zomin als aan fascinatie bij lezers.
Paradoxaal genoeg wordt ons ongemak over de dood in de dagelijkse werkelijkheid er niet minder om, concludeer ik uit de gesprekken die ik voerde met kankerpatiënten en professionals. Neem Gea Arentsen, psychosociaal medewerker in een hospice nabij Arnhem. Zij ziet het als haar ‘grootste klus’ om ‘de familie zover te krijgen dat ze bij het stervensproces aanwezig durven te zijn’. Gesprekken worden vaak niet of maar mondjesmaat gevoerd: ‘De meeste mensen praten er liever niet over.’ Kankerpatiënt Chris Houtman ervoer datzelfde ongemak: ‘Sommige mensen komen naar me toe en gaan het gesprek aan. Maar velen lopen met een boog om me heen. Dat is pijnlijk, zeker als ik ze goed ken.’ Van kwade opzet is in zijn ogen geen sprake: ‘Ik vermoed dat ik zelf vroeger ook weleens deze of gene tekort heb gedaan.’
Stervenden en rouwenden worden geregeld op misplaatste adviezen en dooddoeners getrakteerd. Irritatie daarover is in boeken over rouw een terugkerend thema, signaleert literatuurwetenschapper Krina Huisman. ‘Vrienden en familieleden van rouwenden gebruiken clichés als ‘het is maar een fase’, ‘tijd heelt alle wonden’ of maken lompe opmerkingen als: ‘Heb je het al een beetje kunnen verwerken?’ Dan zetten ze ‘woorden als schilden in, om zichzelf te beschermen’, aldus Huisman.
De ideële reclamestichting Sire nam dit onvermogen om over de dood te spreken zo serieus dat zij er vorig jaar een campagne aan wijdde met als slogan: ‘Praat erover, niet eroverheen.’ De organisatie besloot tot dat thema na raadpleging van experts en wetenschappers: ‘Toen wij ons verdiepten in het onderwerp, bleek al snel dat mensen het lastig vinden over de dood te praten’, zegt directeur Lucy van der Helm. Sire besloot zich hard te maken voor het verbeteren van dat gesprek, ‘omdat het de mens zoveel kan brengen’.
De hardnekkigheid van het ongemak ervaar ik ook in mijn eigen leven. Voor mijn werk mag ik dan in de afgelopen jaren gewend zijn geraakt om er – zowel in interviews als publiekelijk – over te spreken, al die ervaringen maken me toch maar beperkt vaardig wanneer de dood in mijn leven dichtbij komt. Geregeld voel ik me dan onthand en zeker niet weerbaarder tegen zijn impact.
Dat bleek vorig jaar toen een van mijn beste vrienden een langdurige hartoperatie ternauwernood overleefde – de schrik daarover daverde nog lang door me heen. Ik moest denken aan Carlo Leget, hoogleraar zorgethiek en een van mijn gesprekspartners. Toen hij een boek over de kunst van het sterven schreef, kreeg hij onverwacht een telefoontje met de mededeling dat zijn zus was overleden: ‘Het voelde alsof ik tot dan toe rond een mooi bergmeertje had gelopen en ik nu plotseling in het ijskoude water werd gesmeten.’
Sta ik voor de taak met een naaste over de dood te spreken, dan heb ik het nodige te overwinnen. Toen mijn moeder haar standpunt over euthanasie moest herhalen, schoof ik het initiatief graag naar haar huisarts door. Ook in latere gesprekken vond ik het moeilijk haar naderende einde aan te snijden. Ik voelde hoe mijn keel dichtschroefde in het zicht van het onvermijdelijke afscheid. Dat bracht naast verdriet ook een gevoel van machteloosheid mee, waar ik liever van wegbleef.
Waar komt dat ongemak precies vandaan? Medicus en schrijver Ivan Wolffers, inmiddels zelf overleden, wees me op onze overlevingsdrift: ‘Iedere dode in onze omgeving doet vreselijk pijn en op dat moment beseffen we: eens kom ik aan de beurt. Maar al vrij snel schakelen we over op: ik voel me best goed, er is toch niks ernstigs met me aan de hand? Dan wint onze overlevingsdrang het van ons besef sterfelijk te zijn.’
Overleven is een oerkracht die ons handelen en denken stuurt. Nauw ermee verbonden is onze doodsangst, waar de aanhangers van de ‘terror management theory’ (theorie van beheersing van doodsangst) veel mee verklaren. Van status en rijkdom vergaren tot het omarmen van religies of ideologieën, ze voeren het allemaal terug op die fundamentele angst. Of die invloed werkelijk zo groot is, valt moeilijk te achterhalen, maar dat doodsangst bijdraagt aan het mijden van de dood als gespreksonderwerp, lijkt me wel zeker.
Die angst betreft, afgaand op mijn gesprekspartners, niet het dood zijn zelf, maar vooral de weg erheen. Een recente enquête van Trouw onder duizend respondenten bevestigt dat: maar een op de drie zegt het dood zijn te vrezen, twee op de drie is bang voor de lijdensweg. Dood zijn is vooral verdrietig voor hun nabestaanden, meenden mijn gesprekspartners – in navolging van filosoof René Gude, die stelde dat zijn aanstaande dood (hij overleed in 2015, op 58-jarige leeftijd) niet om hemzelf draaide, maar om zijn nabestaanden. Hij zette zich in voor het wegnemen van onze moeite over de dood te spreken, zoals de titel van een van zijn laatste boeken aangeeft: Sterven is doodeenvoudig. Iedereen kan het.
Acht jaar later blijkt dat gesprek nog allerminst makkelijk. Naast overlevingsdrang en doodsangst dragen maatschappelijke ontwikkelingen bij aan het op afstand plaatsen van de dood. Vergeleken met 1950 zullen we er in 2040 gemiddeld veertien jaar bij hebben gekregen, waardoor we tegen die tijd gevorderde tachtigers worden. Veel langer dan vroeger kunnen we met onze rug naar de dood leven.
Gaat het mis, dan komen we in handen van een beroepsgroep die de dood als vijand ziet. Kankerpatiënten vertelden me over het fanatisme waarmee medici hen in leven houden. ‘Ze gaan met scans door tot halverwege je crematie’, grapte een van hen. Spreken over de dood vinden artsen moeilijk vanwege de angst en het verdriet dat ermee wordt opgeroepen. Liever hebben ze het met hun patiënten over een volgende behandelmethode. Veelzeggend is het verzoek dat ik onlangs van een academisch ziekenhuis kreeg om met specialisten en verpleegkundigen over de dood te spreken, omdat die dat onderwerp te zeer mijden.
Ook ruimtelijk houden we de dood ver weg. Leefde de buurt of het dorp vroeger mee met een sterfgeval, nu overlijdt nog maar een op de drie mensen thuis, tweederde sterft in ziekenhuizen of (verpleeg)tehuizen. Voorportalen van de dood als bejaardenhuizen en hospices bevinden zich, net als crematoria en begraafplaatsen, veelal in buitengebieden of aan de randen van de stad. De dood houden we ook op afstand door onze aandacht bij voorkeur te richten op het overzichtelijke alledaagse – de klusjes, de kleine zorgen en de plezierige kanten van het bestaan.
Hoe begrijpelijk ook, we doen onszelf en anderen daarmee wel tekort. Gesprekken over de dood maken vaak blijvende indruk en bevatten, zo leerde ik, vrijwel altijd waardevolle momenten en inzichten. Waar toegeven aan onze schroom een moeizame en pijnlijke omgang met stervenden en rouwenden riskeert, brengt het overwinnen ervan vooral veel goeds. Al is het maar opluchting omdat het onderwerp nu eens niet wordt vermeden, wat een einde maakt aan eenzame worstelingen.
Ook worden vaak essenties van een leven aangeraakt door de verwoording van wat wel en niet belangrijk is geweest. Er worden grote en kleine inzichten gedeeld, zoals dat het uiteindelijk om liefde draait, en het belang van ‘de kleine dingen’ in het bestaan of de betekenis die iemand voor anderen heeft gehad. Wie bereid is zich langs deze weg ‘vertrouwd te maken met de dood’, zoals de Franse filosoof Montaigne al in de 16de eeuw aanraadde, wordt in mijn ervaring doorgaans beloond.
Het sterfelijkheidsbesef kan ook op zichzelf, los van gesprekken met stervenden en rouwenden, van waarde zijn. De Belgische rouwexpert Manu Keirse wijst erop dat het bij het maken van levenskeuzes verschil kan maken. ‘Houd voor ogen wat je wil dat mensen op je begrafenis over je zeggen’, luidt zijn advies: ‘Welk soort ouder, partner, mens wil je zijn geweest? Als je dat af en toe voor jezelf opschrijft, ga je anders met je levensproblemen om.’ Als voorbeelden noemt hij bezitsdrang en omgang met conflicten: ‘Besef dat je al je rijkdom ook weer zult achterlaten, dan ga je door een andere bril ernaar kijken. Net zoals je anders met conflicten omgaat, als je voor ogen houdt dat het leven morgen voorbij kan zijn. Dan ga je niet slapen voordat ze zijn opgelost.’
Behalve voor het scherp krijgen van dit soort prioriteiten kan het sterfelijkheidsbesef ook leiden tot een scherper gevoelde urgentie om tot daden te komen. Wie bijvoorbeeld inziet dat het leven bovenal om liefde draait, kan na een confrontatie met sterfelijkheid in zijn omgeving besluiten die liefde nu al te willen uitdrukken – niet op de valreep, maar royaal ervoor, wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is.
Mijn eigen ervaring met de dood heeft me er vooral toe gebracht in mijn beperkte tijd aan zingeving te willen doen door anderen te stimuleren over grote levensvragen na te denken – het maken van deze interviewserie, waardoor ik werd gedwongen me in de dood te blijven verdiepen, maakte dat verband nog eens zonneklaar voor me. De Belgische psychiater Dirk De Wachter verwoordde het voor mij het meest kernachtig: ‘Doordat we sterven, willen we iets betekenen.’
Tegelijkertijd zette dat voortdurend verdiepen in de dood me ook aan tot ongewoon veel vluchtgedrag (zoals sporten waarmee ik vermoedelijk mijn vitaliteit wilde bewijzen). In relatie tot de dood blijft het dan ook schipperen. Ja, mijn sterfelijkheidsbesef is nodig, maar dat blijven volhouden is onmogelijk en ook niet wenselijk – een flinke portie verdringing hoort er ook bij. Alleen wanneer ik volop in mijn bezigheden op kan gaan, kan ik ten volle leven. Een derde element in mijn omgang met de dood is mijn behoefte aan troost voor ‘de weg van alle mensen’. Die kan me ten deel vallen wanneer verhalen, in literatuur en films bijvoorbeeld, overbrengen hoezeer we in hetzelfde schuitje zitten.
Bovenal ervaar ik troost in het directe contact met anderen, wanneer we in staat blijken over dit gedeelde, wat mij betreft nog steeds onbevattelijke lot met elkaar te spreken. Dan blijkt de koudwatervrees ervoor nooit terecht te zijn geweest.
Het boek Stervelingen, waarin de interviews van de eerder in deze krant verschenen serie ‘Sterveling’ zijn gebundeld, is deze week verschenen bij Atlas Contact.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden