Mogen we nog houden van kunst die is gemaakt door mensen die iets vreselijks hebben gedaan? Jazeker, zegt de Amerikaanse auteur Claire Dederer, die er een boek over schreef (titel: Monsters). ‘Zelf kan ik nog steeds naar een Polanski-film kijken, omdat ik dat werk echt geweldig vind.’
Een klassieke still uit Woody Allens film Manhattan (1979) prijkte boven het stuk dat de Amerikaanse auteur Claire Dederer in november 2017 publiceerde in het literaire tijdschrift The Paris Review. De deskundig-sukkelige oogopslag van Allen naast het soevereine profiel van actrice Mariel Hemingway als Tracy boven haar milkshake, wegkijkend. Kop boven het stuk: ‘What Do We Do with the Art of Monstrous Men?’
Het was een paar weken nadat de hashtag #MeToo was ontploft. Wereldwijd deelden vrouwen hun ervaringen met seksueel geweld en intimidatie, alle media sprongen op het onderwerp. En te midden van alle verhalen, de jachtige discussies en de provisorische meningen, was daar Claire Dederer: een schrijver en criticus die al jaren met het onderwerp bezig was omdat ze werkte aan een boek over de filmmaker Roman Polanski, wiens werk ze immens bewonderde, maar die ook een 13-jarig meisje had gedrogeerd en verkracht – ‘his monstrousness was monumental, like the Grand Canyon.’
Over de auteur
Mirjam van Hengel schrijft voor de Volkskrant over literatuur. Zij schreef onder meer Een knipperend ogenblik, het portret van Remco Campert en Hoe mooi alles over Leo en Tineke Vroman.
Haar stuk was géén persoonlijke #MeToo-getuigenis. Dederer schreef niet over eigen ervaringen met grensoverschrijdend gedrag maar over kunstenaars die vreselijke dingen hadden gedaan en schitterende dingen hadden gemaakt. Over ‘I wasn’t supposed to love this work’. Hoe daarmee om te gaan? Het stuk ging viral en sloeg in als een bom. Het leidde uiteindelijk tot een boek, dat deze week in het Nederlands verschijnt: Monsters – Dilemma’s van een fan.
Vanuit haar huis in Seattle vertelt Dederer dat de vraag of je kunst van een verwerpelijk kunstenaar kunt bewonderen al een paar jaar door haar hoofd spookte. ‘Ik wist dat het een diepe, veelomvattende vraag was, maar toen ik ermee begon, kon ik er niets over vinden. Dus begon ik zelf te onderzoeken. Toen kwamen de beschuldigingen rond Harvey Weinstein naar buiten, de #MeToo-gebeurtenissen ontvouwden zich en ik dacht: o mijn god, ik denk hier al zo lang over na, ik moet hieraan bijdragen.’
‘Ik had het gevoel dat ik iets te bieden had, iets wat ik als schrijver niet zomaar voel. Meestal maak ik gewoon wat ik wil en hoop ik dat mensen zich ermee verbonden voelen, nu voelde ik dat waar ik mee bezig was ertoe deed voor anderen.’
‘Nee. Maar het deed me goed. Het nam zelfs iets weg van mijn verontrusting over de politiek in mijn land, over de gangbaar geworden overtuiging dat nuance er niet meer toe deed. Ik had een genuanceerde mening gedeeld en mensen vonden het geweldig. Dat gaf me hoop.’
‘Ik moest kunstenaars kiezen die voor mijzelf echt belangrijk waren. Dat besloot ik in de jaren negentig, nadat ik het geweldige boek van Pearl Cleage over Miles Davis gelezen had, Mad at Miles. Een vurig, onstuimig essay over haar relatie met het werk van Davis, gevormd door haar identiteit als zwart persoon, als vrouw en als overlevende van misbruik. Dat alles raakte elkaar in haar grote liefde voor zijn werk en haar woede om wat hij vrouwen aandeed. De intensiteit en de passie van Cleage deden me inzien dat ikzelf over dit onderwerp ook alleen kon schrijven vanuit intense betrokkenheid. Verder ging het me natuurlijk ook om kunstenaars met een groot publiek, zodat waar ik over schreef voor meer mensen betekenisvol kon zijn.’
‘Voor mij is de essentie van het boek de ervaring van de lezer, het publiek. Die is subjectief. De kunstenaars over wie ik het heb zijn in zekere zin instrumenten om de ervaring van het publiek te herleiden of in te kaderen. Het werk veroordelen is zo’n beetje het tegenovergestelde van wat ik doe, omdat het de aandacht op de kunstenaars blijft vestigen terwijl het mij gaat over óns: kijkers, lezers, luisteraars. Ik wil niet tien pagina’s lang oordelen over Picasso, ik onderzoek wat er speelt bij het kijken naar zijn werk. Het idee van genialiteit bijvoorbeeld – mijn eigen ervaring van Picasso is sterk gevormd door het beeld van het Genie.’
‘Het beeld van genialiteit dat cultureel bepaald is: mannelijk, almachtig, brutaal. Ik gebruik Picasso en Hemingway als voorbeelden, maar in feite hebben zij actief geholpen dat beeld te creëren. Ze waren de eerste grote kunstenaars uit het tijdperk van de massamedia en ze gebruikten de gereedschappen van die media om het beeld van de kunstenaar te vormen naar dat van henzelf: macho, vechtend, vrouwenjagend. Dat beeld kreeg vaste vorm en werd daarbij ook een soort vrijbrief: hij is een genie dus hij kan doen wat hij wil, terwijl wij toekijken. Als je daar Sylvia Plath, Virginia Woolf of Joni Mitchell naast zet: het beeld van een genie rust bepaald niet als kroon op hun hoofd. Ze worden niet op dezelfde manier gezien door het publiek. Al vind ik dan persoonlijk dat ze geniaal zijn.’
Het is opvallend hoe vaak Dederer het woord ‘subjectiviteit’ gebruikt. Ze schrijft over mannelijke collega-critici die hun eigen subjectiviteit nooit bevragen; over de kritische vrouwelijke blik (heel geestig, in een dialoog tussen een mannelijke en vrouwelijke criticus waarbij de eerste zonder blikken of blozen spreekt van ‘objectieve esthetische waarde’) en over de misplaatste superioriteit van het woord ‘we’: ‘Wacht eens even: wie zijn die ‘we’ die altijd opduiken in kritische teksten? ‘We’ klopt niet. ‘We’ is een voorwendsel. De echte vraag is deze: mag ik van de kunst houden maar de kunstenaar haten? Mag jij dat? Als ik ‘we’ zeg, bedoel ik ‘ik’. Bedoel ik ‘jou’.’
‘In onze reactie op kunst speelt gevoel altijd een rol. Dat is wat kunst doet: die spreekt je gevoelens aan. Als je de vraag stelt of we kunst moeten scheiden van de kunstenaar, doen we alsof er een soeverein denkproces bestaat op grond waarvan we macht hebben over het gevoel en natuurlijk is dat niet zo. Ik wil niet zozeer het gevoel verheffen of waarderen boven het denken, ik wil erkennen dat het er altijd is.’
‘Het was een belangrijk woord om uit elkaar te halen. Het speelde een rol in het discours rond #MeToo en was daar heel krachtig. Ik dacht dat het me door het boek heen kon loodsen als een hulpmiddel, maar zag al gauw dat ik het ook kritisch moest bekijken, en ook andere woorden moest zoeken. Zo kwam ik op het beeld van de ‘vlek’: dat iemand iets doet wat onze perceptie van hem of haar bevlekt. Dat is geen keuze die we zelf maken. Het gebeurt en het verandert vervolgens onze ervaring van die persoon en van het werk. We hebben geen controle over hoe we emotioneel reageren op een kunstwerk en we hebben evenmin controle over wat bepaalde kennis over iemands biografie doet met ons perspectief.’
‘Ik wilde natuurlijk ook kijken naar wat een vrouw monsterlijk maakt. Dat leek me een logische vraag voor het boek en dat bleek te maken te hebben met verschillende gradaties van het niet zorgen voor kinderen. Het was fascinerend om te zien hoe vrouwen, zelfs nu nog, worden gezien als mensen die in de eerste plaats verzorgers moeten zijn. Wanneer ze hun kinderen achterlaten of afstaan – Doris Lessing, Anne Sexton, Muriel Spark, Joni Mitchell – dan ontstaan de veroordelingen. Als verkrachting de misdaad van de man is, dan is het onthouden van verzorging die van de vrouw.’
‘Nee! Ik noem hem het anti-monster. Omdat ik ervan overtuigd ben dat hij het idee riskeert dat de wereld hém als een monster zal zien, doordat hij het verhaal van een monster vertelt. Hij neemt het risico dat de vervormde perceptie van zijn personage hem als auteur wordt aangerekend. Het boek gaat wel degelijk over Lolita: over een meisje en haar onuitgesproken vernietiging door toedoen van deze man. En het was mijn eigen levenservaring, het luisteren naar verhalen van mensen die nooit gehoord werden, die werden uitgewist, aangerand, die mijn blik veranderd hebben.
‘Wat als ik door mijn aanvankelijke walging Lolita had laten vallen? Wat als we een kunstwerk onaanvaardbaar gaan vinden omdat het iets onaanvaardbaars toont? Er zijn een heleboel manieren waarop we het werk van mensen die iets vreselijks hebben gedaan kunnen benaderen. Maar mensen die over iets vreselijks schrijven, dat is artistieke vrijheid. Bovendien: slachtoffers van de beperking van artistieke expressie zijn historisch gezien juist vrouwen, homo’s, dat zijn de mensen die gewond raken.’
‘Mensen zijn uitermate goed in staat om te gaan met complexe ervaringen. Dat hoort bij het mens-zijn. Ergens in het boek beschrijf ik hoe ik mijn kinderen meeneem naar een tentoonstelling van Picasso. Op de bordjes bij de schilderijen werd van alles verteld over de vreselijke dingen die hij zijn vrouwen aandeed, je zag de sigaretten-brandwond die hij maakte in het gezicht van een van hen – na een tijdje zeiden mijn kinderen: we gaan, we willen hier weg.
‘Dus ze zien het werk, ze nemen de informatie over het leven in zich op, het gebeurt allemaal in realtime en wat ze ondervinden is, denk ik, verdriet. Verdriet over de essentiële tragedie van het mens-zijn, dat we elkaar pijn doen. Dat ervaren ze, ik ervaar dat, jij ervaart het – maar de kunst is er nog steeds. En die kun je nog steeds mooi vinden. Het kan tegelijk. Nou ja, mijn kinderen konden dat op dat moment niet, haha, die zijn weggegaan.’
‘Ja, dat denk ik zeker. Absoluut.’
‘Dat kan ik.’
‘Nou ja, hm. Ik kan nog steeds naar een Polanski-film kijken, omdat ik dat werk echt geweldig vind. Het is gewoon belangrijk voor me. Woody Allen vind ik problematischer, al is die niet eens veroordeeld voor wat hem ten laste werd gelegd. Maar het discours eromheen besmet mijn ervaring zó sterk dat ik er bijna niet mee kan omgaan. Dat is persoonlijk. Daarom: er staat in mijn boek geen advies. Ik vertel andere mensen niet wat ze moeten doen. Ik open de dialoog.
‘Het enige waar ik echt op uitkom is dat er die dynamiek is: een vrouw – meestal een vrouw, niet altijd – steekt haar hand op en zegt ‘deze kunstenaar heeft me iets vreselijks aangedaan’. Dat is wat de cancelcultuur of #MeToo in de kern is, iemand die opstaat en zegt: dit is er gebeurd. Vervolgens, en dat fascineert mij, moet de sprong worden gemaakt van de vrouw die dat zegt naar de consument van de kunst, die de tegenstrijdigheid moet oplossen in zijn of haar ervaring van die kunst.’
Waar het op neerkomt, schrijft Dederer: we houden gewoon niet altijd van wie of wat we zouden moeten houden. ‘Dat was het beslissende moment in het schrijven: toen ik wist dat ik moest eindigen met liefde. Het gaat erom je bewust te zijn van zowel je neiging om te moraliseren door naar iemand anders te wijzen, als van je emotionele ervaring.’ Het is de genuanceerde uitkomst waarmee ze ook de lezers van haar boek uiteindelijk terugstuurt naar hun eigen verantwoordelijkheid: ‘Liefde is niet afhankelijk van een oordeel, maar van een beslissing het oordeel terzijde te schuiven.’
Claire Dederer: Monsters – Dilemma’s van een fan. Uit het Engels vertaald door Lidwien Biekmann. Nijgh & Van Ditmar; 320 pagina’s; € 24,99. Verschijnt op 30 september.
Claire Dederer (1967) schrijft memoires, essays en kritieken. Ze publiceerde onder andere het veelgeprezen Love and Trouble – A Midlife Reckoning en een boek over yoga, Poser. Dederer schrijft onder meer voor The New York Times, The Paris Review en The Atlantic en begon haar carrière als filmcriticus. Ze geeft colleges aan de Pacific University, woonde lange tijd op Bainbridge Island in het noordwesten van de VS en tegenwoordig op de woonboot van haar overleden vader in Seattle.
Zaterdag 23 september begint in Utrecht het International Literature Festival Utrecht (ILFU), dat zondag 24 september officieel wordt geopend met de inhuldiging van Babs Gons als nieuwe Dichter des Vaderlands. De 40ste Nacht van de Poëzie op 7 oktober sluit het ILFU af. In de tussenliggende twee weken treden schrijvers uit binnen- en buitenland op, onder wie Salman Rushdie, Maggie Nelson, Mensje van Keulen, Philippe Claudel en Jeanette Winterson.
Tijdens de festivaldag Exploring Stories op 30 september debatteren schrijvers met elkaar over actuele thema’s. Claire Dederer gaat die dag onder leiding van journalist Annelies Beck in gesprek met Connie Palmen, van wie komende week de bundel Voornamelijk vrouwen verschijnt, met daarin de (bewerkte) essays die ze eerder schreef voor het boekenkatern van de Volkskrant. Meer informatie via ilfu.com
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden