Een peuter loopt de trap af, stapje voor stapje. Na elke stap staat hij even stil, net niet zo lang dat zijn moeder, die haast heeft, enkele treden onder hem, haar dreigementen ten uitvoer zal brengen – ‘Moet ik je anders even naar beneden tillen? Ik ga je tillen, hoor, ik tel tot drie. Eén, twee…’ Telkens als ze aanstalten maakt om hem op te pakken zet hij snel een stapje, of twee of drie, maar de moeder heeft geleerd om nooit te vroeg juichen en te denken dat hij nu in één keer door zal lopen, want dan besluit hij te gaan zitten om naar de pleister op zijn grote teen te kijken.
De peuter en ik zijn een metafoor, denkt de moeder, maar waarvoor? De peuter staat misschien voor de bezorgde Nederlanders die elke dag opnieuw de A12 op gaan om de afschaffing van subsidies en belastingvoordelen voor fossiele producenten en grootverbruikers te bepleiten, en ik ben de politie die hen er elke dag opnieuw vanaf moet dwingen, waarbij ik elke dag iets eerder begin met dreigen, elke dag iets eerder het waterkanon in stelling breng, elke dag iets hardhandiger de bezorgde Nederlanders naar hun arrestatiebussen begeleid. Dit is obstructie, zegt de politiechef na de zoveelste dag hard werken door zijn onderbezette team, verontwaardigd, want hij vindt het nu echt niet leuk meer, maar de bezorgde Nederlanders hebben daar geen boodschap aan, zoals de peuter er geen boodschap aan heeft wanneer zijn moeder het echt niet leuk meer vindt.
‘Kom’, zegt de moeder, die de moed nog niet verloren is, ‘zet nog maar een stapje. Wow, wat een mooie stap. En nog één. Kom.’
Nee, denkt de moeder. Fossiele producenten en grootverbruikers, die zijn de peuter. En ik ben de overheid, de overheden van de wereld, die de peuter telkens nog een kans geven, die geloven dat als er één klein stapje wordt gezet, er heus wel meer zullen volgen, vanuit de intrinsieke motivatie van de peuter om het juiste te doen, en daarom klappen de overheden overdreven hard bij ieder ministapje dat de peuter zet. Zie je wel, denkt de peuter, ik ben goed bezig, en hij gaat weer op de trap zitten om uit te rusten en broodjes tonijn te eten van de winst die zijn klimaatopwarmende bedrijfsactiviteiten hem hebben opgeleverd.
‘Kán jij eigenlijk wel zelf naar beneden lopen? Of heb je hulp nodig?’, zegt de moeder, die nu toch weer naar dreigen begint te neigen. ‘Moet ik je soms even tillen?’
Of is de overheid de peuter? denkt de moeder. En ben ik de bezorgde Nederlanders die zien dat het allemaal te langzaam gaat met het terugbrengen van onze CO2-uitstoot, dat we zelfs met die paar stappen die de peuter achter elkaar neemt nooit op tijd beneden zullen komen als hij de volgende stappen weigert te zetten, waar hij vast zijn redenen voor heeft, maar de bezorgde Nederlanders vinden dat er geen tijd meer is voor redenen, het moet nu, anders zijn we te laat, en boos gaan ze op een stuk asfalt zitten en zeggen: opschieten nu, en de moeder ziet een paradox die haar plotseling bevalt, en ze gaat naast haar peuter op de trap zitten en zegt tegen hem: ‘Als jij nu niet gaat lopen, blijf ik hier de rest van de dag zitten’, en voor het verhaal maar ook voor de moeder zou het mooi zijn als hij nu opstond en de trap af liep.
Source: Volkskrant