Home

‘Ik heb me elke dag afgevraagd waarom mijn broer het heeft gedaan’

Grietje Braaksma (61, bedrijfsleider in een boekhandel): ‘De laatste herinnering die ik aan mijn broer heb, is een vrolijke: we lagen samen in het gras tussen de geiten op de boerderij waar we zijn opgegroeid. Freerk draaide een sjekkie en hij voerde een van de geiten ook een plukje shag. We maakten lol, zoals zo vaak – er was geen enkele aanwijzing dat het niet goed met hem ging. Hij was 20 toen hij een einde aan zijn leven maakte. Het kwam uit het niets, totaal onverwacht. Zo’n prachtig joch, kijk, hier staat hij op een oude schoolfoto. Hij kijkt vol vertrouwen de wereld in, een beetje stout, daar staat toch een stralend kind? Misschien is het projectie, maar voor mij is het een troost dat hij ook gewoon gelukkig is geweest.

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven.

‘Laatst heb ik de documentaire Mijn grote broer gezien, over een gezin waarvan de oudste zoon uit het leven is gestapt. Ik heb in jaren niet zo gehuild en tegelijk was het helend, na bijna veertig jaar. Ik heb me elke dag afgevraagd waarom mijn broer het heeft gedaan, maar door de film begreep ik beter hoe hij zich gevoeld moet hebben. Kán hebben: dat het leven je aanvliegt, terwijl niemand iets aan je ziet.

‘Het is doodsoorzaak nummer 1 onder jonge mannen, suïcide, en dat maakt me radeloos en verdrietig. We moeten af van het taboe. Daarom ben ik ook zo blij met 113: ga in gesprek met je kind, met je neef, met je geliefde, want ik houd mijn hart vast voor deze maatschappij. Hoe leren we jongens dat ze mogen huilen, dat ze kwetsbaar mogen zijn, dat het normaal is als je het even niet meer weet?

‘Ik was in een hotel in Boekarest toen daar een telefoontje voor mij kwam. Het was een vriend van mijn ouders die zei dat Freerk niet meer leefde. Ik heb geschreeuwd, daar door de hal: néé, néé. Ja, pake of beppe konden doodgaan, maar mijn broer? Ik dacht aan een auto-ongeluk. Ik weet de exacte woorden niet meer, de vriend van mijn ouders zal het gewoon hebben gezegd: Freerk heeft zichzelf opgehangen. Ik was 22, ik had nog nooit iets verdrietigs meegemaakt.

‘Freerk woonde nog thuis, hij zou de boerderij overnemen. Mijn oudste broer voelde daar niet voor en ik ook niet, ik woonde op kamers in Leeuwarden en werkte daar in een boekhandel. In het weekend kwam ik vaak nog thuis en dan gingen we uit, naar de disco in het dorp. Die bewuste zaterdag heeft Freerk dat ook gedaan. Meestal kwam hij om een uur of 2 thuis, maar de volgende ochtend lag hij niet in zijn bed. Iets later stond de dominee voor de deur. Toen wist mijn moeder meteen dat er iets heel erg mis was.

‘Iemand had hem gevonden in een boomgaard, net buiten het dorp. Mijn wereld stortte in. We gingen hem begraven, met vrienden en familie, en daarna ging ik terug naar mijn kamer en naar de boekwinkel. Mijn vader ging de koeien weer melken, mijn moeder kookte elke dag eten, maar waarvoor? Een boerderij is een levenswerk, mijn ouders leefden ervoor om dat op een dag over te dragen – ze waren niet alleen hun zoon kwijt, maar al het andere had ook geen zin meer. Ik denk dat ik mijn eigen verdriet lang heb geparkeerd omdat ik het vooral voor hen zo ondraaglijk vond.

‘In de boekhandel in Leeuwarden werd ik liefdevol opgevangen. ‘Als het even niet meer gaat, ga je maar boven boeken prijzen’, zei Thys, de zoon van de beroemde boekverkoper Sipke Dijkstra dan tegen me. Alle collega’s wisten het van Freerk, de meesten waren ook op de begrafenis geweest. Het was een veilige haven. En ik kon er lezen: elk boek over rouw heb ik in die tijd, en later ook, verslonden. Taal zonder mij van Kristien Hemmerechts vond ik prachtig, Het jaar van magisch denken van Joan Didion ook. Wat er ook gebeurt in je leven, er is altijd een boek voor.

‘Dat ik me mijn tijd als twintiger absoluut niet herinner als een alleen maar verdrietige periode, is onder meer aan mijn baan in die boekhandel te danken. ‘Hard werken en niet zeuren’ is mijn levensmotto, want al heb je verdriet, zeuren helpt niet en leuk, betekenisvol werk wél – dat heb ik geleerd. Daarbij had ik een enorme honger naar het leven: ik wilde mensen ontmoeten, avonturen beleven. Ik begreep er niets van dat mijn broer dat niet ook had gewild.

‘Laatst kwam ik iemand tegen die op die avond ook in de disco was. Ik had de neiging om alles weer te vragen: hoe was Freerk die avond, is er iets gebeurd? En tegelijkertijd is het niet-weten misschien wel beter, want wie weet waar je achterkomt. Had hij ruzie gehad? Was hij homoseksueel? Dat was met een moeder als de onze geen enkel probleem geweest, ze ging door roeien en ruiten voor ons alle drie.

‘Ik verhuisde voor een nieuwe baan, ook weer in het boekenvak, naar Amsterdam. Ik heb daar mijn man leren kennen, ging naar feesten in de Roxy en in Odeon. Thuis sprak ik met mijn vader af en toe over Freerk, met mijn moeder nauwelijks, dat was ingewikkeld. Met mijn oudste broer, een oester, ook niet, iedereen zat op zijn eiland. Pas veel later, toen mijn vader dementeerde en de geriater tegen mijn broer en mij zei: ‘Uw vader heeft het altijd over zijn dríé kinderen?’ – toen hebben we samen keihard gehuild.

‘Misschien ben je met een dode broer wel meer bezig dan met een levende. Vanaf het moment dat ik me dat realiseerde, ben ik bewust meer naar mijn oudste broer toe gaan trekken, en naar zijn zonen, mijn neven Wessel, Jelle en Hylke. Met de een ging ik naar het Scheepvaartmuseum, met de ander warme chocolademelk drinken; logeren bij tante Grietje was altijd een groot feest. Ik heb zelfs, toen ik even niet zulk leuk werk had, mijn baan opgezegd om een tijdje op ze te passen – het beste wat ik in mijn leven heb gedaan. Ik ben dol op die mannen. En ik kan het niet helpen een beetje op ze te letten nu ze jonge twintigers zijn.

‘Vijf jaar geleden ben ik hier bij boekhandel Broese in Utrecht neergestreken. Ik heb één secundaire arbeidsvoorwaarde, heb ik bij mijn sollicitatie gezegd: ik wil elke dag lachen op mijn werk. Dat gebeurt ook, dit is een fantastische plek om te zijn. En het voelt voor mij als een verantwoordelijkheid dat het dat voor iedereen is. Ook voor de jonge collega’s, de oproepkrachten. Er is zo veel onzekerheid en eenzaamheid onder jonge mensen, ik heb er een soort antenne voor ontwikkeld als het niet goed met iemand gaat. Een van de jonge collega’s hier dreigde kopje onder te gaan, toen heb ik gevraagd: mag ik je moeder bellen? Die zei: zonder Broese was mijn zoon er niet meer geweest. Sorry, nu moet ik huilen, want dat brengt me rechtstreeks terug naar de boekhandel die míjn redding is geweest. En naar Freerk natuurlijk. Zo groot is de impact van zijn daad tot op de dag van vandaag.’

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next