Home

‘Ik was een teleurstelling voor mijn vader en dat heb ik altijd gevoeld’

Schrijver Carry Slee had een verre van onbezorgde jeugd. Haar moeder was manisch-depressief, haar vader was regelmatig ‘ongezond intiem’ met zijn andere dochter. Pas ver na hun dood kon Slee erover schrijven. ‘Het moest gebeuren.’

Gescharrel in de witte keuken, naast een groot raam met uitzicht op het weelderige Bergense groen. Carry Slee (74) kookt water voor de oploskoffie die ze vervolgens in een thermosfles giet. ‘Wil je er iets bij, ik heb twee krentenbollen? Of liever een banaan? Stroopwafels zijn er ook.’ Naast het kookeiland twee lege antischrokbakken: honden Ronja en Tommie zijn ‘met Elles mee naar het strand, anders wordt het hier zo onrustig’. In haar werkkamer wijst ze het goudkleurige jasje van Paul Smith aan dat ze gaat dragen tijdens de boekpresentatie, en ook bij de fotoshoot. Dan gaan de honden wel mee, de duinen in, als afleiding, ‘anders duurt het helemaal zo lang’.

Een scène uit Zijn jongen, haar autobiografische roman die op 26 september verschijnt:

Vanuit mijn bed zag ik papa naast Els liggen. Hij lag op zijn zij met zijn gezicht naar Els toe, dicht tegen haar aan. Ik hoorde papa smoezen. Ik wilde de lieve woordjes die hij tegen Els zei helemaal niet horen. Het voelde ongemakkelijk en ik werd er eenzaam van. Ik deed mijn vingers in mijn oren, maar het gefluister kwam erdoorheen. Ga nou weg, dacht ik steeds. Ga nou weg. Het leek alsof papa heel lang naast Els lag. Af en toe keek ik naar papa, en toen keek ik naar Els. Els’ gezicht stond helemaal niet blij, het stond strak alsof ze bang was. Eindelijk hoorde ik mama’s voetstappen in de gang. De deur werd opengegooid. ‘Uit dat bed jij’, riep mama. En dan stond papa op, gaf Els nog een kus en verdween. Daarna was het een tijdje stil in ons kamertje. ‘Welterusten’, zei Els. ‘Welterusten’, zei ik en ineens was ik niet meer jaloers op Els. Ik had medelijden met haar.

Ruim vijf miljoen boeken verkocht Carry Slee, waarmee ze een van Nederlands best gelezen schrijvers is. En dat terwijl ze pas op haar 40ste debuteerde, met een kinderboek. Rik en Roosje, de tweeling uit dat debuut, hebben twee moeders en geen (aanwezige) vader – net als de twee dochters van Slee zelf.

In haar boeken voor de jeugd (hoeveel het er zijn weten Slee en haar uitgever niet meer, waarschijnlijk rond de honderd; na nummer tachtig zijn ze de tel kwijtgeraakt) zijn de thema’s heftig: van echtscheiding en loverboys tot (online) pesten en nepnieuws. Maar het einde is altijd positief en de verhalen bevatten veel romantiek.

Sinds 2001 schrijft ze ook voor volwassenen: Moederkruid werd met ruim driehonderdduizend verkochte exemplaren genomineerd voor de NS Publieksprijs. Vier van de zes romans die ze schreef gaan over haar eigen leven, en dan met name over haar onveilige jeugd in een naoorlogs en onbemiddeld Amsterdams kleermakersgezin. Met twee ouders die elkaar naar het leven staan, een manisch-depressieve, soms suïcidale moeder en een vader die er relaties buiten de deur op nahoudt en regelmatig ‘ongezond intiem’ is met zijn eigen dochter.

Maar haar romans gaan ook over het geluk dat ze vanaf 1975 alsnog mocht ervaren toen ze haar grote liefde Elles van den Berg ontmoette – al was de weerstand jarenlang groot, tegen twee vrouwen die als een van de eerste stellen in Nederland kinderen kregen.

Slees boeken werden verfilmd, in musicalvorm gegoten en ze werd talloze keren onderscheiden, van negen keer de Prijs van de Nederlandse Kinderjury tot twee Rembrandt Awards. In 2010 wordt ze vanwege haar bijdrage aan de literatuur benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Nog een scène uit Zijn jongen:

Hij schepte tegen iedereen op over Els. Dat ze zo goed kon leren. En dat ze zo knap was. Zij was een echt meisje. Els mocht vaak met hem mee als hij langs klanten ging. (...) Els wist veel meer dan ik. Dat mama heel preuts in bed was en dat dat niet prettig was voor een man. Dat hij ook weleens wilde tongzoenen als ze vreeën, maar dat mama dat onhygiënisch vond. (...) Papa had ook tegen Els gezegd dat hij spijt had dat hij met mama was getrouwd. Het kwam doordat ze zo mooi was met haar prachtige blonde krullen. (...) Papa zei tegen Els dat het niet makkelijk voor hem was om met een patiënt te leven. ‘Ik blijf alleen voor jullie’, zei hij.

Slee gaat zitten, ze draagt een zeegroen jasje van Paul Smith, het montuur van haar bril in dezelfde kleur. Achter haar een kast vol met eigen boeken en een schilderij: haar portret gemaakt voor het tv-programma Sterren op het doek.

‘Dat is zo, ja. Ik wilde er al eerder over schrijven, maar ik wist niet hoe.’

‘Mijn vader was aimabel; als ik met leeftijdsgenootjes speelde, vonden ze mijn vader te gek. Daar was ik trots op, ik had tenslotte al zo’n rare moeder. En hij had ook een zorgzame kant: als ik ziek was, kwam hij voor me uit bed. Ik vond spugen eng, maar dan bleef hij net zo lang bij me zitten tot het eruit was en ik in slaap viel. Bovendien kon ik met niemand zo lachen als met hem. Juist doordat mijn moeder zo’n nerveus type was, was hij luchtig. Dus ik heb nooit goed doorgehad dat ook hij ons leven moeilijk maakte.

‘Bij mijn zus en mij was hij heilig; zonder hem was er van ons niks terechtgekomen. Die dankbaarheid zit heel diep en ik denk dat ik die altijd blijf voelen. Ik ben geworden wie ik ben doordat hij er was – ondanks zijn vervelende gedrag.’

‘Dat was minder leuk, ja. Hij zei ook vaak: ‘Jij bent een jongen uit één stuk. Jammer dat je bent gevallen, want nu zit er een spleet in.’’

‘Het was onsmakelijk en ik ben daarna nooit meer in dat bed gaan liggen. Maar wat je nu grensoverschrijdend zou noemen, deed hij vooral bij mijn zus. Ik voelde dat het ongezond intiem was, hoe hij met haar omging. Hij keek naar haar op een manier die niet hoort voor een vader.’

‘Dat begrijp ik wel, ja. Dat ze het gewoon niet durfde toe te laten, het gevoel dat wat mijn vader deed niet kon. Mijn moeder had haar min of meer afgestoten, omdat ze voor mijn vader had gekozen. Dat was keihard, hoor. Dus ik denk dat het onbewust zelfbescherming is geweest. Dat ze dacht: ik accepteer dit maar, want waar moet ik anders naartoe?’

Na een slok koffie: ‘Ik weet gewoon niet zeker of hij zich ervan bewust was dat wat hij deed niet kon.’

Denkt even na: ‘Nou ja, eigenlijk kan dat niet, hè?’

‘Mijn ouders gingen elke zondag pannekoeken eten in het Amsterdamse Bos. Mijn moeder nam er altijd eentje met gember. Vooraf waren we allemaal gespannen, omdat ze er niet mee kon omgaan als die een keertje niet verkrijgbaar was. Zoals ook haar dag was verpest als haar favoriete tafeltje bezet bleek. Het waren allemaal angsten, voor álles. Eigenlijk kon ze het leven niet aan. Dat gevoel vond ik het ergste. Zo van: ‘Mama kan het niet. Bij mama ben je niet veilig.’ Daarom ben ik mijn vader zo dankbaar geweest dat hij het wél kon.’

‘Volgens mijn moeder gingen we overal aan dood. Daar heb ik wel iets aan overgehouden. Als mijn lichaam een keer anders reageert, word ik zenuwachtig. Bij een hoestje denk ik meteen aan het ergste en hóór ik de stem van mijn moeder. Elles had juist een moeder die alles wegwuifde, dus die zegt dan: ‘Joh, het gaat wel weer over.’ Dat helpt.’

‘Omdat ik het gevoel had dat ik voor mijn moeder moest zorgen. Ze zei regelmatig dat ze er een eind aan ging maken, dus het was altijd opletten geblazen. Ik heb het later weleens aan een juf gevraagd, hoe ik als jong kind was. ‘Ontredderd’, antwoordde ze. Ik ben blijven zitten op de lagere school, omdat ik me niet kon concentreren. Ik was door al die spanning een nerveus kind. Alles bewoog aan mij, weet je wel? Zenuwtrekken.’

‘Omdat we ze zielig vonden. Aan mijn moeder zag je dat ze het niet kón, dus we namen het haar niet kwalijk dat ze vaak huilend in bed bleef liggen. Vanaf mijn 6de heb ik vooral voor haar gezorgd, in plaats van andersom.

‘Intussen had ik veel aan mijn fantasie, als ik onder tafel met mijn knuffels en poppen speelde en hun verhaaltjes vertelde. Ik droomde ervan dat ik eigenlijk andere ouders had en dat op een dag mijn echte moeder op de stoep zou staan. Dat was om mezelf op de been te houden, denk ik nu.

‘En de loyaliteit naar mijn vader is ook erg ingegeven door medelijden, omdat hij zo’n ellendige jeugd heeft gehad. Hij was pas 7 toen zijn moeder overleed en kort daarna stond er een koffertje voor hem klaar. Zijn vader had een nieuwe vrouw gevonden die geen zin had in zijn kinderen, dus werd mijn vader op een dag zomaar bij het weeshuis afgezet, en zijn zus bij een boerenfamilie in de Achterhoek. Hij maakte overal grapjes over, behalve als hij dit verhaal vertelde. Dan was hij heel ernstig.’

‘Dat is het verdrietige eraan, ja. Mijn vader was al getrouwd toen mijn moeder als 17-jarige coupeuse bij hem kwam werken. Hij viel voor haar uiterlijk, maar wist toen niet dat mijn moeder psychische problemen had. Uiteindelijk werd het een verschrikkelijk huwelijk. Die twee gaven elkaar één keer per jaar een zoen, op Oudejaarsavond. Daar keek ik dan al weken naar uit, omdat het me toch een warm gevoel gaf. Kinderen willen gewoon dat hun ouders van elkaar houden. Maar die twee mensen hebben elkaar helemaal gek gekregen. Erg hè?’

‘Mijn moeder heeft ook nooit begrepen dat je zélf moeite moet doen om gelukkig te zijn. We hebben allemaal weleens perioden dat het tegenzit, dat je de schouders eronder moet zetten om het weer fijn te krijgen. Maar zij haakte meteen af. Ze had wat dat betreft totaal geen doorzettingsvermogen.’

‘Mijn zus en ik zijn allergisch geworden voor zo’n houding. Mijn zus heeft haar man verloren, best veel nare dingen meegemaakt, maar nee: wij gaan niet zeuren. Dat kún je ook niet meer. Het brengt je niets.’

‘Nee. Ik kan wel erg tegen dingen opzien, zoals straks weer de lezingen, optredens en fotoshoots rondom het boek, maar ik doe het toch. Als ik was geweest zoals mijn moeder, had ik dit allemaal nooit bereikt. Ik kan goed doorzetten. Dus draai ik dingen naar het positieve: dat ik benieuwd ben hoe ik ermee omga als ik iets moet doen waar ik tegen opzie. Ik zorg ervoor dat de nieuwsgierigheid altijd groter is dan de angst.

‘Terwijl ik er niet van hou om uit mijn comfortzone te zijn. Gewoon mijn leventje, lekker overzichtelijk: ’s ochtends vroeg ontbijten, dan met Elles en de honden lopen, praten over het boek waaraan ik werk, drie kwartier mediteren en dan lekker in mijn eentje schrijven.’

‘Dan zei ze: ‘Laten we naar Parijs gaan’ en dacht ik: alsjeblieft niet. In het begin probeerde ik me aan te passen en ging ik toch mee, maar inmiddels gaat ze gewoon zelf. Wij gunnen elkaar alles. Zij mij dat ik altijd aan het werk ben, ik haar de reizen die ze wil maken. Omdat ik weet dat mijn wereld veel te klein voor haar is.

‘Mijn opa Slee, de vader van mijn vader, was ook kleermaker. Hij woonde in de Pijp in Amsterdam, boven zijn atelier. ’s Ochtends om 6 uur zette zijn vrouw de kachel aan, zodat het er niet te koud was, vervolgens ging hij met de trap naar beneden om daar de hele dag te werken. ’s Avonds nam hij weer de trap naar boven. Dat was zijn leven.

‘Eén keer in het jaar ging hij met mijn oma naar de film, in Cineac. En aten ze een broodje kroket bij Van Dobben. Dat was genoeg voor hem, hij was er hartstikke gelukkig mee.

‘Ik ben net zo. Ik kan bovendien onder alle omstandigheden werken, zelfs als er nare dingen gebeuren. Ook als ik me niet lekker voel; als ik dan ga werken, heb ik er geen last van. Als ik niet werk, heb ik er juist veel last van. Dus dat schrijven geeft mij veel.’

‘Ik vertelde je net dat verhaal over zijn jeugd en eigenlijk kan ik er ook nu nog om huilen als ik eraan denk hoe hij is weggedaan door zijn eigen vader. Ik vermoed dat mijn vader zichzelf in het weeshuis op de been heeft gehouden met fantasieën over later. Zoals ik dat zelf ook deed: dromen over je toekomstige leven. Voor hem was dat: een mooi gezin én een jongen, met wie hij naar het voetballen kon en een biertje kon drinken. Want echte jongens dronken bier.’

‘Ik was 5 jaar toen mijn moeder me vertelde dat hij niet eens de moeite had genomen om te komen kijken nadat ik werd geboren. Bij de geboorte van mijn zus moest het hele atelier stoppen met werken, bij mij gingen ze gewoon door. Dat vond ik naar om te horen, maar mijn moeder heeft dat verhaal duizenden keren verteld.’

‘Laten zien dat hij een klootzak was. Ze noemde hem Dracula, omdat ze vond dat hij haar leegzoog. Maar goed, ik was dus een teleurstelling voor mijn vader en dat heb ik altijd gevoeld.’

‘Ik ben hem erg gaan pleasen, ik wilde laten zien dat ik wél de moeite waard was. Grapjes maken en ad rem zijn; dan lag-ie slap en was hij trots. Pas veel later voelde ik dat ik er helemaal geen zin in had, om altijd iedereen te entertainen. Als je wilde lachen, moest je Carry vragen. Terwijl dat helemaal niet bij me past.’

‘Pas toen ik ging schrijven. Toen voelde ik hoe stil ik was van binnen. Daarom vind ik schrijven ook zo mooi, omdat ik dan mijn echte zelf ben. Dat voelde zo fijn dat ik daarna niet meer die gangmaker wilde zijn. Het schrijven heeft me gelukkig gemaakt. En vertrouwen gegeven.’

‘Ja, heel erg. Ineens kreeg ik complimenten, bedankten ouders me omdat hun kinderen door mij waren gaan lezen. Ik heb er gelukkig geen kapsones van gekregen, maar het heeft me wel iets moois van binnen gegeven. Dat ik mag zijn wie ik ben, en dat dat goed genoeg is. Zeker na zo’n jeugd was dat belangrijk.’

‘Omdat me ook in uiterlijke zin voordoen als jongen de manier was geweest om me verbonden te voelen met mijn vader. En andersom. Dus toen ik ongesteld werd en dat wegviel, kwam de verwarring. Ik wist zelf ook niet meer hoe het zat. Ben ik een meisje? Of toch een jongen? Ik was in elk geval niet het meisje dat mijn vader voor ogen had. Geen poppetje, maar het type van rennen en vliegen. Ruig.

‘Ook nu zou ik niet eens helemaal antwoord op die vraag kunnen geven. Ik voel me wel echt moeder, geen vader. Maar goed, er zijn ook zachte vaders. Verder zou ik niet kunnen zeggen of ik écht vrouw ben of écht man.’

‘Misschien wel. Ja. Geen man, geen vrouw. Gewoon: een mens.’

‘Ik geloof niet dat ik het heb opgeschreven, maar ze is na mij nog een keer zwanger geweest, van een jongetje. Dat heeft ze laten weghalen, omdat ze een rothuwelijk had. Dat vertelde ze vaak: ‘Ik had een zoon kunnen hebben. Als ik een lieve man had gehad, had ik het gehouden.’’

‘Mijn ouders stelden allebei hun eigen behoeften voorop. En mijn moeder was altijd bezig met wat ze níét had. Dat is iets wat ik ook jong heb geleerd: je kunt je beter focussen op wat er wél is.’

‘Nadja heeft het druk als psychotherapeut en is alleenstaande moeder van twee jongens. Ik vond die combinatie met herrie erbij wat veel voor haar, dus zei toen: ‘Ga lekker in ons huis wonen en werken, dan ben jij van dat probleem af.’’

‘Nee, maar nu je het zegt... Ik ben een bezorgde moeder, het omgekeerde van wat ik zelf heb meegekregen. Het liefst los ik alle problemen van onze kinderen op, al gaat dat niet.’

‘Ik heb enorm geprobeerd om mijn moeder happy te maken, ook later, door eindeloos met haar te praten, maar het had geen enkele zin. Ze is nooit gelukkig geworden.’

‘Hij kwam elke drie weken, wat hij zelf te weinig vond. Dan moest ik al om vijf voor half 11 voor het raam gaan staan, zodat ik zo snel mogelijk naar buiten kon komen als ze arriveerden. Ze bleven de hele dag, terwijl we na twee minuten waren uitgepraat. O, wat duurden die dagen lang. Bij mijn zus was het helemaal erg; die werd er regelmatig onwel van.’

‘Dat durfde ik niet! En dat zou ik nog niet over mijn lippen krijgen. Ik wilde hem niet kwetsen.’

‘Ja, maar zo zag ik het toen niet.’

‘Nee. Gek hè? Ik weet het aan zijn onvermogen. Maar ik vond het wel lastig, zeker fysiek. Ik kon het niet aan om dicht bij hem te zijn, ik wilde die intimiteit niet meer.’

‘Daar moet je je best voor doen. Wij hebben goed naar onze kinderen gekeken. Wat hebben ze nodig? Hoe zijn ze als mens? En niet: wat wil ík dat zij doen. Zoals mijn vader, die mij het liefst had gefiguurzaagd, als zo’n Pinokkio-poppetje, helemaal naar zijn eigen wensen en verwachtingen.’

‘Omdat ik niet langer alleen wilde zijn. Ik woonde op een kamertje en voelde dat het niet meer ging. Dat ik iemand naast me nodig had. Vriendinnen kregen vriendjes, mijn eenzaamheid werd te groot. Ik was bang dat ik anders ook bij de psychiater terecht zou komen, net als mijn moeder.

‘Met Ruud voelde ik geestverwantschap en ik wilde dat hij het fijn had. Maar ik voelde ook dat ik fysiek niet de vrouw was die hij het liefst had. Dus liet ik mijn haar groeien en droeg korte rokjes; dat vond hij sexy. Maar ja, dat houd je niet vol, hè? En toen ontmoette ik Elles. Van haar hoefde ik dat allemaal niet te doen, dus daar heb ik veel geluk mee gehad. Ik droeg voor Ruud ook contactlenzen, omdat hij een bril niet mooi vond. Elles zei meteen: ‘Doe jij gewoon je bril weer op.’ Ik kon meteen mezelf zijn, voor het eerst in mijn leven.’

‘Hij heeft altijd gezegd dat er van mij nooit iets terecht zou komen en leefde nog toen ik voor het eerst de Prijs van de Kinderjury won, voor Verdriet met mayonaise. Ik mocht toen op televisie komen, bij Irene Moors. Dat vond hij prachtig, maar toen ik hem naderhand belde, zei hij: ‘Je was wel bekakt, hè?’ Dus eigenlijk wist ik wel dat het toch nooit goed genoeg zou zijn.’

‘Maar ze was heel koud. ‘Wees maar flink’, zei ze. En later: ‘Heb het er maar niet over.’ Ze heeft hem nooit gemist, ze vond het alleen jammer dat ze niet meer met de auto naar het Amsterdamse Bos kon, want daar reed hij haar elke week naartoe. Voor mijn zus was zijn dood ook een opluchting. Dat vond ik lastig, al begreep ik het wel. Toch verlangde ik naar iemand die er ook verdrietig om was.’

‘Misschien omdat het zo is geëindigd; dat er nooit iets moois is gekomen. Zowel voor mij als voor hem niet. Dit was het dan; wat een rotleven. Tragisch begonnen, verdrietig einde.’

‘Nee. Eigenlijk was ik vooral blij voor haar. Mijn zus heeft haar gevonden, ik was met mijn gezin in Indonesië. Waren we eindelijk de reis aan het maken waarop de kinderen zich zo hadden verheugd, moesten we terug omdat mijn moeder doodging.

‘Ik was ook opgelucht dat ik van allebei mijn ouders geen afscheid heb hoeven nemen. Daar zag ik al lang tegenop, want wat zeg je dan? Ik kon ze moeilijk bedanken voor die jeugd.’

‘Maar ik had het nooit gedaan als ze nog leefden.’

‘Ik snap dat je het zo kunt zien, maar dat doe ik zelf niet. In Zijn jongen beschrijf ik hoe ons leven voor mij is geweest. Dus het gaat eigenlijk over mij.’

‘Ja, dat kan niet anders. Mijn vader had overal maling aan, maar ik denk dat mijn moeder het wel erg had gevonden. Ik heb mijn zus gevraagd of ze ermee akkoord was, anders had ik het niet gedaan. En een zus van mijn moeder is boos geworden, die heeft me na Moederkruid nooit meer willen zien. Dat begrijp ik. Maar ik heb het toch gedaan. Omdat ik schrijver ben en dit moest gebeuren. Dat gaat boven alles. Dus ik heb er nooit mee gezeten; eigenlijk best gek.’

‘Misschien vind ik het geen probleem omdat ik mijn jeugd niet met boosheid beschrijf. Ik ben ook nooit boos geweest. Mijn zus wel. Toen mijn vader dood was, mocht ik zijn naam niet eens meer noemen.’

‘Tijdens het schrijven las ik steeds stukjes aan Elles voor. Dan moest ik er weer om huilen. Dus dat verdriet blijft, maar ik kan er goed mee leven.’

‘Dat is een heel moeilijke vraag. Ik had die jeugd liever niet gehad, maar het heeft me wel dit gebracht. Het mooiste wat mij is overkomen – naast de kinderen en Elles.’

‘Toen Elles ging bevallen van onze jongste dochter Masja zei de directeur van de school waar ik lesgaf: ‘We geven je geen vrij voor zomaar iemand.’ Zomaar iemand!

‘Ik bleef natuurlijk toch weg en daarna kreeg ik, om me te pesten, een rotrooster. Wat ik me ook nog goed herinner is het feestje in de lerarenkamer toen ik terugkwam. Een mannelijke collega was vader geworden, dus ze hadden cadeaus voor hem en we moesten klappen. Terwijl er bij mij ook een baby’tje was geboren. Het ergste vond ik dat niemand zei dat dat gek was, ook mijn vrienden op die school niet. Dus toen dacht ik: nu moet ik hier echt weg. Elles had dat al eerder gezegd. ‘Stop er nou mee, jij moet schrijver worden.’’

‘Eigenlijk wat ik ook met dit boek wil laten zien: dat veel mensen het gevoel hebben dat ze zich moeten aanpassen voor anderen, of dat ze een bepaalde rol moeten aannemen voor hun dierbaren, maar dat het juist zo belangrijk is om jezelf te durven zijn. Omarm je eigen identiteit.

‘Nadja heeft nog meegemaakt dat er werd gefluisterd dat haar moeders ‘vieze potten’ waren. Wat ophield toen ik succes kreeg – toen was ze ineens de dochter van Carry Slee. Maar binnen ons gezin wilde ik dat het altijd lief was: ruzie heb ik al genoeg gezien.’

Op weg naar de voordeur, langs het bureau waar Zijn jongen op A4-formaat ligt uitgeprint: ‘Dan denk ik meteen: wat ga ik hierná dan weer schrijven?’

‘Absoluut. In mijn hoofd, onder die tafel met mijn knuffels, was ik gewoon al schrijver. Alleen kwam het niet in me op dat ook echt te worden. Daarom was het ook zo’n emotioneel moment toen ik werd gebeld dat mijn eerste boek zou worden uitgegeven. Ik moest zo huilen. Dat ik echt iemand was. Dat ik iets kón.’

1 juli 1949 Geboren in Amsterdam.
1975 Afgestudeerd aan Academie voor Expressie door Woord en Gebaar Utrecht.
1977-1985 Docent Drama op een katholieke scholengemeenschap in Zaandam.
1988 Eerste stuk wordt gepubliceerd: verhaal over ‘Keetje Karnemelk’ in kindertijdschrift Bobo.
1989 Eerste kinderboek Rik en Roosje verschijnt en er volgen al snel meer jeugdboeken, waaronder Het drakenpad, Pijnstillers en Kapot.
1992 Prijs van de Kinderjury (eerste van negen) voor Verdriet met mayonaise.
1995 Schrijft Haas en Kip (en later nog twee boeken) onder pseudoniem Anne Mileau.
1996 Spijt! en Hier waak ik.
1999 Schrijft Kinderboekenweekgeschenk (Bikkels).
2001 Eerste roman voor volwassenen, Moederkruid, verschijnt en wordt genomineerd voor NS Publieksprijs. In hetzelfde drieluik verschijnen Dochter van Eva en De toegift.
2006 Film Afblijven, eerste van in totaal acht boekverfilmingen.
2008 Dat heb ik weer, serie boeken voor kinderen van 10 jaar en ouder.
2009 Bangkok Boy, haar eerste 16+-boek.
2010 Benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
2012 Rembrandt Award (Beste Jeugdfilm) voor de verfilming van haar boek Razend.
2014 Bob Angelo Penning; belangrijkste Nederlandse prijs op het gebied van lhbti-emancipatie.
2016 Gouden Boekenstapel vanwege vijf miljoen verkochte boeken.
2018 Eerste deel Juf Braaksel-reeks (8+). Van deze serie zijn meer dan 250 duizend boeken verkocht.
2021 Laatste jeugdroman Fake!, wekelijkse column in het Noordhollands Dagblad.
2023 Zevende roman Zijn jongen verschijnt bij uitgeverij Lebowski. Ook komt er een nieuwe Juf Braaksel uit. Op 6 december gaat de Juf Braaksel-bioscoopfilm in première.

Carry Slee woont in Bergen (NH) en heeft een relatie met actrice Elles van den Berg, die mededirecteur is van Slees bedrijf Lekker Schrijven. Ze hebben twee dochters.

Fotografie Jaap Scheeren. Visagie Georgina Hoppen. Productie Jef Andrea.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next