Home

Hoe journalist Nathalie Huigsloot haar eerste (hel)jaar met een hond overleefde

‘Huh? Waar is de lamp?’ Mijn vriend en ik staren allebei naar de plek waar voordat we uit eten gingen nog een plastic lichtbol stond. Op hetzelfde moment draaien we ons hoofd richting het hijgende beest dat juichend van blijdschap op en neer springt. Met de helft van de lamp in haar bek. ‘Swiffer!’, roepen we in koor.

Onze hond doet haar naam eer aan. Alles wat ze tegenkomt, veegt (eet) ze op. Zo ook de andere helft van de betreffende lamp. Het liefst verorbert ze de hakken van mijn schoenen, maar ook voor brillen, pennen en bankpassen haalt ze haar natte neus niet op. Ze heeft een fetisj voor plastic. Ik heb weleens – best lang – een ballon die met de ontlasting meekwam uit haar anus staan trekken, terwijl ik nietsaandehanderig doorpraatte met de buurman.

Eigenlijk wilde ik helemaal geen hond. Ik ben daar het type niet voor. Ik ben geen baas. En ook niet zo van de dierenliefde. Ik zag een keer een vrouw in zee spelen met haar hond. Vol overgave gaf ze het beest een intense knuffel en riep uit: ‘Ik hou van jou!’ Zo hoef ik niet per se te worden, dacht ik.

Maar op een avond vroeg mijn toen 7-jarige dochter Madelief: ‘Mam, mag ik een hondje?’ Verrast keek ik haar aan. Was dit het meisje dat nog niet zo lang geleden bij elke hond doodsbang op mijn rug klom? Dat werd weliswaar beter toen een vriendin van haar een grote hond kreeg en ze besefte dat ze zich over haar hondenangst heen moest zetten, wilde ze ooit nog bij haar kunnen spelen. De vakantie erop aaide ze eindeloos een stokoude (halfdode) hond in Italië, waarna de hondenangst zo goed als weg was, maar dat ze nu zelf een hond wilde?

In elk poëziealbum, in de jaarlijkse brief aan Sinterklaas, en op het moodboard op school stond ineens dat het haar allerliefste wens was om een hond te hebben en die uit te laten.

Heel langzaam raakten mijn vriend en ik steeds meer aan de praat over deze wens. Tja, wel leuk voor een enig kind. Een huisdier is sowieso leerzaam. Maar wat een handenbinder. En past dat uitlaten wel bij uitslapers zoals wij?

Als een Facebookvriend kort daarna een logeeradres zoekt voor haar hond bieden we ons aan als gastgezin. Het blijkt een langharig hondje op korte pootjes. ‘Waar is je Swiffer?’, vraagt een schoolpleinmoeder als ik haar een keer niet mee heb. Het is een makkelijk, lief beestje, en de logeerpartij bevalt goed, maar of zo’n wandelende duster nou representatief is voor de hele diersoort?

We besluiten maar eens een nestje te bekijken en kiezen er een op Marktplaats. We gaan voor die met de zoetste foto’s, bij een boer in het noorden van het land. De puppy’s liggen in een koude, winderige stal. De boer legt een van de pluizenbolletjes in de handen van onze dochter, die vraagt: ‘Waarom rilt-ie zo?’ ‘Omdat hondjes geen dekentje hebben om onder te slapen’, antwoordt de boer.

‘Wat een bullshit’, zegt een vriendin, die hondentrimster is, kort daarna streng in een overlegbelletje. ‘Niet doen hoor. Ze moeten in een huiselijke omgeving opgroeien, warm en gezellig, en gewend zijn aan huishoudelijke monsters zoals een stofzuiger. Je moet sowieso nóóit een hondje van Marktplaats halen, daar wemelt het van de oplichters, maar bij een fokker. Alleen niet bij een broodfokker. Dat is zielig, die laten de moederhond het ene nestje na het andere baren, en daar gaan ze kapot aan.’

Ik mail alle labradoedelfokkers in Nederland. We hebben namelijk besloten voor een labradoedel te gaan, dat is de ultieme gezinshond, lees ik op internet. Makkelijk, lief, een instapmodel voor onervaren hondenbazen, zeg maar. Bovendien verharen en stinken ze niet.

Net als T-shirts zijn ze te verkrijgen in small, medium en large. Wij gaan voor een small.

Al snel heb ik beet. Er is een nestje geboren met zwarte en rode puppy’s en we kunnen een meisje krijgen. Ik mail dat ik graag een rode zou willen. Liever geen zwarte, die vind ik minder schattig. Op de eerste kijkdag hoor ik de fokster verbolgen tegen een andere kijker zeggen: ‘Er was een vrouw die mailde dat ze per se een rode wilde en geen zwarte. Je kiest je hond toch niet uit op de kleur van je bank?!’ Ik zeg maar niet dat ik die vrouw was.

De kijkers behandelen de fokster alsof ze de koningin is. Iedereen probeert een wit voetje bij haar te halen in de hoop het leukste hondje (een rode) uit het nest te krijgen. Ik vraag maar niet of ze een broodfokster is, straks gaat dat ten koste van mijn gunfactor. Als ze in de groepsapp iets post, buitelen de reacties over elkaar heen: ‘O, wat lief! En wat doe je het goed.’ Ik doe naar hartelust mee. We sturen haar een tekening die Madelief van haar toekomstige puppy heeft gemaakt. De hond is rood gekleurd.

Uiteindelijk krijgen we een rood meisje toebedeeld – ‘ze is heel rustig en een tikkeltje afwachtend’ – en we noemen haar, geïnspireerd door de schoolpleinmoeder, Swiffer.

Op de dag dat we haar ophalen, gaan we meteen naar puppycursus. De hondenvriendin heeft namelijk gezegd dat het eerste jaar een hel is. En dat we ons daar niet op moeten verkijken. Haar kinderen durfden een jaar lang niet zonder rubberlaarzen de woonkamer in. Veel puppy’s van allerlei soorten en maten bijten heel hard, leert ze ons. Het leek me allemaal wat overdreven, maar ik was het ermee eens: hoe eerder we aan een goede opvoeding zouden beginnen, hoe beter. Swiffer denkt daar zelf anders over. Tijdens de puppycursus doet ze nergens aan mee en valt ze na vijf minuten op mijn voeten in slaap.

De fokster had gezegd dat de pup wat kan ‘happen’ – dat blijkt vakjargon voor ‘keihard bijten’ te zijn. Maar dat leer je makkelijk af, zei ze, gewoon even haar lippen naar binnen klappen zodat ze daar zelf pijnlijk op bijt en het is over.

Onze Swiffer bijt voluit door.

‘Ik ben het geloof ik niet helemaal eens met jullie fokker’, zegt de puppycursusjuf. ‘Dat werkt niet en bovendien kunnen ze bang worden van handen en nog meer gaan happen.’ Beter is om heel hard ‘au’ te roepen.

‘Haha’, lacht onze dierenarts. ‘Een hond verstaat toch geen au?’

Zo gaat het de hele tijd. Iedereen heeft een ander advies, maar het komt er met dezelfde stelligheid uit. Zo vertelde een vrouw in het bos dat ze haar hond weleens had teruggebeten, nou, dat hielp toch goed. Nóóit meer gebeten.

Als je van ongevraagde adviezen houdt, is een hond een absolute aanrader. Veel van de adviezen pakken in de praktijk alleen totaal anders uit.

‘Als de pup een beetje om haar eigen as draait, betekent het dat ze wil plassen’, zei de fokster. ‘Dan moet je haar meteen optillen, want dan stopt de drang en kun je haar buiten zetten voor een plasje.’ Ik doe precies wat ze zegt en hol met Swiffer de trap af, terwijl zij mij volledig onder piest.

‘Als de hond aan de lijn trekt, stop je en loop je terug. Pas als de lijn weer slap hangt, loop je verder’, zegt de puppyjuf. Hoe vaak ik het ook herhaal, Swiffer blijft zo hard naar voren stormen dat het net lijkt alsof ze zich kokhalzend ophangt aan de lijn.

‘Goed gedrag wel belonen met een hondensnoepje, hè!’ Die van mij vreet het hele huis op, maar een hondensnoepje moet ze niet.

En dan de bench. Daar moet ze in om zindelijk te worden. Want honden vervuilen hun eigen nest niet, dus als je ze daarin stopt, leren ze hun plas ophouden. Maar de bench moet wel een veilige plek zijn, je mag je hond er nooit in zetten om hem te straffen. Tegelijkertijd geldt de gouden regel: als een hond onwenselijk gedrag vertoont, moet je dat negeren. Dus als ze piept of blaft, doe je net alsof je dat niet hoort. Maar wat doe je als ze heel hard piept in de bench en zich uit alle macht door een van de tralievakjes probeert te persen? Negeren? Maar wordt het dan niet een onveilige plek voor haar?

Mijn vriend en ik hebben het eigenlijk alleen nog maar over de hond. Misschien ligt het aan de tandjes dat ze zo piept. Of vindt ze het misschien vervelend dat ze zo vaak kak aan haar kont heeft hangen? Zelfs met natte billendoekjes krijgen we die resten moeilijk uit de haren gepulkt. Of ligt het eraan dat ze zich onzeker voelt omdat we niet streng genoeg zijn?

Een schoonzus vertelt dat ze haar hond had aangeleerd dat hij pas mocht eten als zij het commando ‘eet’ had gegeven. Op een dag had ze het voer neergezet, maar vergat ze het commando te zeggen. Toen ze uren later terugkeerde, stond de hond als een wilde te watertanden boven de bak, maar had hij er geen brokje van gegeten. Onze Swiffer trekt gewoon de vuilnisbak omver en vreet hem leeg.

Die schoonzus stond ook een keer keihard op de poot van haar hond doordat die ineens voor haar voeten liep. Een heftige gil vulde de kamer en een half uur later liep het beestje nog mank. ‘Eigen schuld’, zei ze, ‘de hond moet rekening met mij houden en niet andersom.’ Als ik per ongeluk op Swiffers pootje stap, sta ik me een half uur later nog te verexcuseren.

De gesprekken met medehondenbaasjes doen me denken aan de babytijd van Madelief. Slaapt die van jou al door? Is ze al zindelijk? Alles voelde als een wereldprobleem. Als het me niet lukte om Madelief borstvoeding te geven, leek het alsof de wereld verging. Nu blijven we elke avond drie kwartier bij de bench zitten zodat Swiffer niet huilend in slaap valt. Daarna sluipen we geruisloos naar boven, waar we het eerste uur hooggespannen in bed liggen te luisteren of we geen piepje horen.

In het begin was het ‘happen’ nog wel te verdragen en zeiden we tegen Madelief dat het Swiffers manier is om een kusje te geven. Maar inmiddels bijt ze zo hard dat alle kinderen bang zijn voor de kleine, harige puppy en bij binnenkomst zo snel mogelijk op de bank of tafel springen. Madelief ontbijt tegenwoordig standaard op tafel. En ik ook.

Als Swiffer tijdens het uitlaten in de riem bijt en ik ‘no’ zeg, begint ze ook steeds vaker te grommen. Of ze springt omhoog en bijt loeihard in mijn hand of in mijn kuit. Het mag dan wel een donzig beest ter grootte van een eekhoorn zijn, ik word steeds banger voor haar. Als ik na een avond meerdere keren keihard te zijn gebeten op de tafel zit terwijl Swiffer naar me gromt, bel ik huilend mijn vriend. ‘Kun je alsjeblieft naar huis komen? Ik ben zo bang.’

De volgende ochtend ga ik naar de dierenarts. Ze stelt een gedragstherapeut voor. Die komt meteen langs. De therapeut observeert me terwijl ik met Swiffer in de weer ben. Ze zegt dat ik niet bang hoef te zijn voor het grommen, want het gaat in toon omhoog.

Verder moet ik vaker zeggen wat Swiffer wél mag. Als ze iets doet wat niet mag, zeg ik ‘no’. Niet omdat het een Australische labradoedel is, maar volgens de puppyjuf komt ‘nee’ in het normale taalgebruik zo vaak langs dat het een verwarrend commando is. Als je hond aan komt lopen met je handtas in haar bek, zeg je niet boos: ‘No! Stoute hond.’ Nee, dan zeg je op een aardige toon: ‘Dank je wel, maar ga maar met dit bot spelen.’ Dan leert de hond dat-ie voortaan het bot moet pakken in plaats van je tas. Als je hem op zijn donder geeft leer je hem: ik moet die tas alleen pakken als het baasje niet thuis is.

Al dat ge-no is bovendien slecht voor het zelfvertrouwen van de hond. ‘Daar wordt ze alleen maar onzeker van’, zegt de gedragstherapeut. ‘Zou jij het leuk vinden als je de hele dag alleen te horen krijgt wat je niet goed doet?’, vraagt ze. ‘Nee’, zeg ik braaf, waarna ik haar 60 euro betaal.

De aanpak haalt in de praktijk niks uit. Swiffer blijft bijten en alles opvreten, ook al zeg ik: ‘Dank je wel voor mijn creditcard, maar neem liever dit bot.’ Ik merk dat Madelief steeds meer een terugtrekkende beweging maakt. Ze is een aantal keer zo hard gebeten dat de tranen over haar wangen biggelden. Inmiddels vindt ze het overal leuker dan in de buurt van haar hond. Ik vraag of ze ook een puppy had gewild als ze had geweten dat hij haar zou bijten. ‘Natuurlijk’, zegt ze beslist. ‘Swiffer bedoelt het toch niet slecht?’

Veel gezelliger wordt het gezinsleven er niet op. Om beurten doen we ’s avonds laat de laatste ronde, waarna diegene nog drie kwartier bij de bench blijft zitten. Tegen de tijd dat de ene boven is, ligt de ander al te pitten. In de vroege ochtend staat de ander voor dag en dauw op voor het eerste rondje – samen wakker worden is er niet meer bij. Swiffer voelt steeds meer als corvee in plaats van als een toegevoegde waarde in ons gezin.

‘Ik zou er twee jaar voor uittrekken, daarna wordt het leuk’, zegt een man in het bos. Weer iemand anders zegt dat het bijten verdwijnt als ze haar tanden heeft gewisseld, dat is over een half jaar. ‘Het duurt gewoon even voordat het indaalt dat je geen speelgoedknuffel in huis hebt gehaald, maar een onhandelbare kleuter’, vertelt een echtpaar dat dankzij de hond in een huwelijkscrisis terechtkwam. ‘Mijn man en ik zijn het eerste jaar bijna uit elkaar gegaan. Onze eerste hond was zo ongehoorzaam, druk en fel dat de spanningen tussen ons hoog opliepen. Maar inmiddels zijn we er gek op. De hond houdt ons gezin ook bij elkaar. Onze kinderen vliegen inmiddels uit, maar door de hond houden ze binding met het thuisfront. Het is echt een vriend geworden.’

Ook het huwelijk van een ander stel dat ik in het bos tegenkom – je lult wat af met zo’n beest – belandde in zwaar weer na de komst van de hond. Zij was naar een hondenfluisteraar geweest en die raadde haar aan om de hond ‘uit te laten snuffelen’ bij het uitlaten. Dat betekende in de praktijk dat ze niet verder kwam dan 10 meter. Haar man vond dat bloedirritant. Hij had een hond genomen om balletjes mee te gooien, niet om stil te staan en ‘uit te laten snuffelen’. Maar nu zijn ze totaal om. ‘Een hond doet iets met je’, zegt de vrouw. ‘Je wordt er zachter van. Een hond geeft zoveel onvoorwaardelijke liefde. Al kom je enorm chagrijnig thuis, een hond is altijd blij om je te zien.’

Ik moet vooral moed houden, zegt de vrouw meerdere keren. Ik moet ‘in mijn eigen kracht komen te staan’. Daarna volgt de hond wel. Nu ruikt zij dat ik gefrustreerd ben en dus gaat zij alles fout doen. Als mijn hond tot kotsens toe vooruit wil rennen, moet zij dat maar doen, dat is haar probleem, niet dat van mij. Ik ben te lief, ik leef me te veel in. Ik moet in mezelf geloven, anders word ik in de ogen van de hond nooit geloofwaardig.

In mezelf geloven is niet mijn sterkste kant, toch beuren de verhalen me ergens wel op. Om mijn doorstart te vieren besluit ik met Madelief een ijsje te gaan eten op een terras aan het water. Swiffer gaat mee. De mensen op het terras zijn massaal vertederd door het lief ogende beestje. Totdat ze zich lostrekt en in het water springt. We hebben geen idee of Swiffer kan zwemmen, hollen erachteraan en trekken haar de kant op. Waarna Swiffer ondanks al mijn ‘no’s’ kleddernat en hondsdol de ene na de andere gast op het overvolle terras bespringt. Veel mensen zijn daar woedend over. Een aardige vrouw zegt vergoelijkend: ‘Het is wel een pittige tante, hè?’

Die avond zegt de puppycursusjuf het ook: ‘Nou nou, jullie hebben wel de felle uit het nest.’

Als ik daarna thuiskom, springt Swiffer meteen op de bank. Ik kijk haar aan. En zij mij. Ik heb niks met dat beest, denk ik. En het lijkt alsof zij hetzelfde over mij denkt.

Ik betrap mezelf steeds vaker op de gedachte dat ik spijt heb. Mijn vriend zegt dat hij dat stiekem ook weleens heeft. We komen tot de conclusie dat we eigenlijk liever een poes hadden gehad, die gewoon lekker bij je op schoot komt liggen. Hebben wij weer, per ongeluk het verkeerde huisdier gekozen, en nu zitten we er vijftien jaar aan vast.

Madelief heeft een ‘zorgenknuffel’. Een oranje beestje met een rits als bek. Daarin kun je een papiertje stoppen waarop je een zorg hebt geschreven en de volgende dag is die zorg dan weg. Op het briefje staat: ‘Ik ben soms bang dat papa en mama niet meer van Swiffer houden.’

Swiffer begint nu ook aan de muur te knagen. Steeds meer huisraad hebben we op tafel gezet, maar met de muur gaat dat niet. Of het aan het eten van het behang ligt, of toch aan een van de andere spullen waaraan ze heeft zitten knagen, weet ik niet, maar Swiffer is aan de dunne. Precies voor de deur van de bakker waar ik een half volkoren koop, krijgt ze een diarree-aanval, waarna ik erachter kom dat ik mijn poepzakjes ben vergeten. Met de broodzak schraap ik onder vele toeziende ogen de oranje-bruine derrie met mijn hand van de stoep. Daarna loop ik met de boterhammen onder mijn armen naar huis. Daar braakt Swiffer. Natuurlijk net op het tapijt.

De dokter zegt dat ze een monster gaat nemen van Swiffers poep. Althans, ik ga dat nemen. Ik krijg een paar plastic lepels mee naar huis waarmee ik steeds in haar ontlasting kan graven en het resultaat in een klein plastic buisje kan proppen. Ik krijg ook een rekening mee, van 210 euro. Ze blijkt wormeitjes in haar poep te hebben waarvoor ze een peperduur kuurtje krijgt.

Wij hebben geen hondenverzekering genomen omdat mijn vriend vindt dat verzekeraars oplichters zijn. Die overtuiging kost ons veel geld. Want de hele tijd is er wel iets. Dan heeft Swiffer weer een oorontsteking, dan mogelijk een blaasontsteking. ‘Hier, neemt u dit pipetje mee om de opgevangen plas mee op te zuigen.’ ‘Eh... en hoe vang ik die plas op?’ Op een toon alsof ik mijn leven onder een steen heb doorgebracht: ‘Met een pollepel.’

Swiffer heeft ook geregeld volle anaalklieren, dat zijn de zakjes die naast haar anus hangen. Je merkt het doordat ze dan met haar kont over het tapijt rijdt. Je moet je hond gewoon heel hard laten schrikken, dan lopen die anaalklieren vanzelf leeg, adviseerde iemand me, weer met grote stelligheid. Maar toen ik in het bos onverwachts ‘boe!’ tegen haar riep, gebeurde er niets. Dus toen heeft de dierenarts ze uitgeknepen.

Bij een van de controles komt de dokter erachter dat Swiffers vlijmscherpe hoektanden in haar bovenkaak steken. Ze denkt dat het daaraan ligt dat Swiffer zo druk is en zo veel bijt. Ze heeft voortdurend pijn, maar ze weet niet beter. Daarom huilt ze er niet om. Ze zegt dat het voor Swiffer goed zou zijn als twee kiezen getrokken worden. En dat ze verwacht dat dit ook een karakterverandering teweegbrengt.

Als Swiffer onder narcose is, probeer ik te voelen hoe het zou zijn als Swiffer tijdens de operatie sterft. Dat maakt me toch wel verdrietig. Misschien hou ik toch van haar.

De operatie gaat goed. Sterker nog, Swiffer is ineens zo rustig dat we haar enthousiasme zowaar missen. Ik mis het dat ik de woonkamer niet in kan omdat Swiffer zo blij is om me te zien dat ze tegen de deur blijft opspringen. Ik mis het dat ze meteen op mijn voeten gaat liggen, waar ik ook ga zitten. Langzaamaan komt haar energie gelukkig terug. Maar het bijten is voorgoed verdwenen. Het is een wereld van verschil. Ineens kunnen we eindeloos met haar knuffelen zonder angst voor een harde beet. Ik merk dat Madelief steeds meer vertrouwen krijgt. Ah, mag Swiffer bij mij op schoot in de auto? Ah, mag ik met Swiffer in het winkelkarretje?

Het alles opeten blijft nog wel een tijd doorgaan, tot en met een gigantisch chocoladepaasei waarna ze met spoed aan het infuus moet. Als we de volgende dag het verlossende telefoontje krijgen dat alles goed is, moet ik zelfs huilen.

Het klopt wat de hondenvriendin zei: het duurt ongeveer een jaar voordat het leuk wordt. En het klopt ook wat de vrouw in het bos zei: een hond doet iets met je. Dat komt onder meer door die onvoorwaardelijke liefde. Swiffer wil altijd op me liggen, overal waar maar plaats is, desnoods op mijn gezicht. Zolang ze maar het allerdichtst bij me kan zijn. Als Madelief ergens logeert, rent ze meerdere keren naar boven om te checken of ze er echt niet is.

Althans, dat denk ik dan. Want dat is ook wat er als hondenbaas met je gebeurt: je projecteert allerlei menselijke eigenschappen op het beest. En je vergoelijkt alles. Net als een ouder bij een jengelende kleuter invult: Timmetje is gewoon een beetje moe, zegt de hondenbaas bij onophoudelijk geblaf dingen als: ‘Bobby mist de mensen die vorige week met ons mee waren op vakantie gewoon heel erg.’ Ik zie in het bos mensen ook hele gesprekken voeren met hun hond. ‘Wat heb ik nou gezegd? Als je nu niet komt, gaan we vanmiddag niet naar het strand, hoor. Nee, zo vind ik het echt niet meer leuk.’

Dat Swiffer tegen iedereen opspringt, heb ik compleet vergoelijkt. Het is juist een voordeel dat ze zo slecht is opgevoed, denk ik nu. Daardoor is ze zo enthousiast en aanhankelijk. Als je wilt dat je hond over de hele linie goed luistert, moet je hem steeds weer duidelijk maken dat hij onder in de roedel zit. Dus niet de hond op de bank laten, hij moet leren dat hij onder jou ligt. Ook nooit de hond voor laten gaan als je naar buiten gaat, hij is degene die op jou moet wachten. Nooit met je hond gaan spelen als hij met een speeltje aankomt, jij begint en wint, want anders val je omlaag in de roedel en luistert hij niet meer. Wij doen dat allemaal niet. Wij laten Swiffer wel op de bank, want niks lekkerders dan zo’n warm, zacht beest dat als een poes op je ligt. Hoe meer we haar eigenlijk zien als een poes geboren in een hondenlichaam, hoe beter het gaat.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next