Home

NU+ Vijf miljoen tuinen: vergroening is kans voor Nederlandse biodiversiteit

Ruim 10 procent van Nederland bestaat uit steden, dorpen en industrieterreinen. Welke rol spelen die in natuurherstel? NU.nl zoekt het uit in een serie over welzijn, klimaat en biodiversiteit bij jou in de straat. Deel 5: tuinen.

Wilde bloemen verdwijnen uit het landschap en het aantal vliegende insecten is minder dan een kwart van wat het in de jaren negentig nog was. Ook doodnormale soorten gaan achteruit. In veertig jaar tijd is het aantal broedende spreeuwen gehalveerd en is ruim drie kwart van de huiszwaluwen verdwenen.

Om er iets aan te doen, moet de mens weer leren samenleven met de natuur. Dat vraagt om een landschap dat insecten, wilde planten, egels, amfibieën en zangvogels weer welkom heet. Daarbij is een potentiële glansrol weggelegd voor tuinen.

Ook een piepkleine tuin kan bruisen van het leven, mits daar (veel) planten in staan die ook van nature voorkomen in de Nederlandse natuur. Ander natuurlijk leven volgt dan vanzelf.

Begin dit jaar schreven we over Jochem Kühnen. Hij woont in een rijtjeshuis bij Nijmegen met een hoektuintje van typisch Nederlandse proporties: 130 vierkante meter. Daarin had Kühnen toen net z'n tweeduizendste 'tuinsoort' geteld.

De teller staat eind september al op 2.216 soorten. Als de omstandigheden eenmaal kloppen, is het volgens Kühnen vooral een kwestie van goed kijken. En voor wie het leuk vindt: genieten.

"Ecologisch tuinieren is hot", zegt Louise Vet. Ze leidde jarenlang het Nederlands Instituut voor Ecologie en is een van de initiatiefnemers van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Naast de terugkeer van heggen en natuurlijke oevers kan ook vergroening van tuinen bijdragen aan dat herstel.

"Maar vergroening van tuinen contrasteert nog steeds met een tegenovergestelde tuintrend", zegt Vet. Dat zijn de 'onderhoudsarme' tuinen, met veel tegels en een waakse robotmaaier die erop toeziet dat geen spriet uit het korte gazon omhoog zal steken.

Het "typisch Nederlandse netheidssyndroom" noemt Vet dat. "Nederland is een superaangeharkt en rechtgetrokken landje. Maar in de natuur komen geen rechte lijnen voor. Daar is altijd vervorming, daar zijn bochten. En daar is ruimte om verrast te worden, dat maakt het leuk."

Levende tuinen vragen dus iets van ons schoonheidsbeeld, en bereidheid om de controle een beetje los te laten. Zo is tuinnatuur gebaat bij kleine rommelhoekjes: een composthoop, een takkenril of een dode boomstam. Dat geeft voeding aan talloze levensvormen, tot diep in de bodem. Daar kan weer een roodborstje van leven, en wie weet een bruine kikker of een egel.

Belangrijker zijn de levende planten, zegt hoogleraar plantecologie in Wageningen en Nijmegen Joop Schaminée. Hij is een van de initiatiefnemers van Het Levend Archief: een poging om honderden bedreigde Nederlandse plantensoorten voor uitsterven te behoeden.

Als je de Nederlandse biodiversiteit wil versterken, moet je tuin planten bevatten die van nature voorkomen in de Nederlandse natuur. Die inheemse planten vormen de basis van een insectenwereld die in Nederland duizenden soorten telt. Dat geeft je een zeer ruime keuze uit vijftienhonderd plantensoorten, waaronder prachtige bloesemstruiken en borders vol veldbloemen.

De tuinier stuit daar op een klein probleem: bij een gemiddeld tuincentrum kun je ze niet eenvoudig kopen. Nederlandse tuinen zijn vanuit die tuincentra volgeraakt met 'tuinplanten', zoals hortensia's, rododendrons, coniferen, magnolia's en zelfs palmbomen.

Zulke uitheemse soorten hebben de Nederlandse biodiversiteit weinig te bieden. Dat geldt ook voor cultivars: kweekvarianten van wilde planten. Zo kun je tientallen soorten clematissen kopen, maar de oerclematis - waar ze allemaal van afstammen - meestal niet.

Die oerclematis heet (wilde) bosrank en gonst tijdens de bloei van de hommels, zweefvliegen en bijvoorbeeld groefbijen (waar Nederland 53 soorten van telt). Op de kweekclematis zul je die groefbijen niet snel terugvinden. De bloemen zijn prachtig, maar ze bieden minder geschikt stuifmeel.

In Nederland is er één voorbeeld bekend van een plantensoort die dankzij tuinen is behouden. Dat is de roggelelie, een indrukwekkende oranje bloem die eeuwenlang boven roggevelden uitstak. Toen die ook uit de laatste akkers was verdwenen, bleken er nog een paar roggelelies te overleven in een Drentse tuin.

Maar met de zeldzaamste planten is Schaminée terughoudend. Die komen vaak nog voor in heel kleine populaties en horen op heel specifieke plekken te groeien. Hun DNA is vaak aangepast aan die groeiomstandigheid.

Als tuinier moet je dan zeker weten dat die plant niet alleen inheems is, maar ook echt uit jouw streek komt. Anders is mogelijke kruisbestuiving eerder een bedreiging dan een versterking.

Schaminée raadt mensen die in de eigen tuin meters willen maken met biodiversiteitsherstel juist een tussencategorie aan: wilde planten die weliswaar onder druk staan in het landschap, maar daar van nature in bulkhoeveelheden in thuishoren.

"Denk aan margrieten, knoopkruid, dagkoekoeksbloem, grasklokjes en boterbloemen. Dat zijn bloemen die stuk voor stuk bestuivers veel te bieden hebben."

"Het is superleuk om juist met zulke soorten aan de slag te gaan. En laten we wilde viooltjes niet vergeten, zoals het driekleurig viooltje. Dat zijn ook smaakmakers." Wie ze in de tuin heeft, maakt weer kans op de kleine parelmoervlinder, die er eitjes op afzet. Wie icarusblauwtjes in de tuin wil, moet rolklaver zaaien. En als je van boomblauwtjes en citroenvlinders houdt, is sporkehout een onmisbare struik.

Maar maakt dit nou eigenlijk ook verschil op landelijke schaal? Wat nou als een op de tien, of een op de twintig tuinen een klein ecologisch walhalla wordt, zoals die van Jochem Kühnen? Dat zijn nog steeds héél veel potentiële mininatuurgebiedjes: 275.000 tot 550.000 om precies te zijn.

Niemand kan die vraag beter beantwoorden dan professor Hans de Kroon, insectenonderzoeker aan de Radboud Universiteit. Hij leidde in 2017 een spraakmakend Nederlands-Duits onderzoek, waaruit blijkt dat vliegende insecten zelfs binnen beschermde natuurgebieden razendsnel achteruitgaan.

Het voedsel voor insecten moet terug in het landschap, zei De Kroon eerder al tegen NU.nl. Bijvoorbeeld met bloemrijke dijken en een groot netwerk van ecologische bermen. En ook vergroening van tuinen kan daarin volgens De Kroon een rol spelen.

"Je kunt een tuin zien als een snippertje natuur en dan denken: dat snippertje is veel te klein. Maar uit nieuw onderzoek blijkt dat kleine snippers natuur veel belangrijker zijn voor de bescherming van biodiversiteit dan werd aangenomen."

Vervolgens is het de uitdaging om die kleine snippers toch onderling verbonden te houden. Ecologen spreken van stapstenen. Zo'n stapsteen is een klein toevluchtsoord dat bijvoorbeeld voor een zandbij groot genoeg is om voldoende voedsel te vinden en een nestgangetje te graven. En in de zoektocht naar een partner moet de afstand naar de volgende stapsteen dan net te overbruggen zijn.

Voor veel kleine bijen is zo'n maximale vliegafstand niet meer dan 100 meter. Laten we zeggen de lengte van een straat. Een op de tien tuinen is dan nipt genoeg.

Log in of registreer gratis op NU.nl en krijg toegang tot extra artikelen

Source: Nu.nl algemeen

Previous

Next