Home

‘Mama. Het is fíctie’, zuchtte mijn zoon. Goed en wel, maar ik wil weten hoe die man vermoord is

Mijn jongste zoon studeert sinds kort rechten en komt zowaar met enthousiaste verhalen thuis. Ook liggen er loodzware hompen vakliteratuur op zijn bureau waar hij wel degelijk in lijkt te lezen. Tussen de vuistdikke naslagwerken zag ik ook een dun boekje liggen, getiteld De zaak van de grotverkenners.

Ik heb zelf een blauwe maandag rechten gestudeerd, een heel lichtblauwe maandagmorgen, laten we zeggen, maar ik kan me geen grotverkenners herinneren. Wel andere leuke zaken als ‘de Hoornse taart’ en ‘De hollende kleurling’, trouwens.

Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.

Die Hoornse taart is een nogal domme vergismoord uit 1911. De verdachte had een met rattengif doordrenkte taart bij zijn beoogde slachtoffer laten bezorgen, maar die laatste had toevallig niet zo’n zin in taart. Zijn vrouw, daarentegen, lustte wel een stukje. De vrouw stierf. De verdachte betoogde dat er geen sprake was van moord, want het was niet zijn bedoeling geweest om die vrouw te doden. Het hof oordeelde anders, en hij kreeg levenslang.

Die ‘Hollende kleurling’ is veel recenter, namelijk uit 1977. (‘Kleurling’ was indertijd een respectvol woord voor mensen met een donkere huid.) De ‘kleurling’ in kwestie kwam ’s nachts uit een berucht Amsterdams café in een dito buurt gerend, toen er twee agenten passeerden.

De agenten hielden hem aan en fouilleerden hem, waarbij de man zich verzette en een van de agenten in zijn pols beet. Uiteindelijk viel er tijdens de schermutselingen een pakje heroïne uit zijn zak. De man werd gedagvaard wegens het bezit van heroïne en wegens ‘wederspannigheid’.

Het Amsterdams gerechtshof deed iets voor die tijd zeer vooruitstrevends: het sprak de ‘kleurling’ vrij wegens ‘onrechtmatig verkregen bewijs’. Die agenten hadden de man aangehouden en gefouilleerd ‘zonder redelijk vermoeden van schuld’, aldus het hof, en alleen maar omdat hij een donkere huid had. Een zeer interessante zaak over etnisch profileren, decennia avant la lettre. (Saillant detail: een van die rechters was mijn oom Piet.)

Ik leende De zaak van de grotverkenners (Lon L. Fuller, 1949) van mijn zoon en las het. Het (beroemde) verhaal is helaas fictief, maar wel gezellig: vijf grotverkenners raken door een aardverschuiving ingesloten in een grot. Ze hebben geen proviand bij zich, en het duurt een maand voor ze gered kunnen worden. Eind goed al goed, behalve dat er nog maar vier grotverkenners over zijn. Ze hebben de vijfde gedood en opgegeten. Een dobbelspel had de onfortuinlijke vijfde als slachtoffer aangewezen.

De vraag is: zijn die vier overgebleven verkenners schuldig aan moord? En zo ja, moeten ze daarvoor dan ook bestraft worden? Vijf (eveneens fictieve) rechters buigen zich erover : ja, moord is moord, maar bevonden die verkenners zich niet in een juridisch vacuüm, daar in die grot? Gelden wetten nog wel onder dergelijke omstandigheden? Op zich interessant. Maar:

‘Wie heeft er nou dobbelstenen bij zich, in een grot?’, zei ik tegen mijn zoon. ‘En is het daar niet veel te donker om die dobbelstenen te zien, laat staan om iemand te vermoorden? En zaten ze al die tijd zonder water? Dan waren ze allang dood geweest. En hoe zorgden ze dat dat lijk niet bedierf? 70 kilo vlees eet je niet in een paar dagen op. En…’

‘Mama. Het is fíctie’, zuchtte mijn zoon. ‘Het gaat om de rechtsfilosofie.’ Jazeker, allemaal goed en wel. Maar ik wil weten hoe die verkenner precies vermoord is, welk stuk ze het eerst hebben opgegeten en hoe hij gesmaakt heeft. En of die verkenners zich schuldig voelden. En of ze daarna ooit nog vlees hebben gegeten. En…

Mijn zoon zuchtte nogmaals. ‘Het is maar goed dat jij die rechtenstudie nooit hebt afgemaakt’, sprak hij.
Dat is waar. Maar toch ook een beetje jammer.

Source: Volkskrant

Previous

Next