Bestaansonzekerheid zit wellicht niet in inkomen, maar in het gevoel dat je niet hoeft te rekenen op een vangnet, mocht het tegenzitten in het leven.
De stemming in de nationale politiek doet sterk denken aan de stemming in 2002, tijdens de opkomst van Pim Fortuyn. Net als toen heerst er een sterk gevoel dat de politiek een belangrijk fenomeen lang over het hoofd heeft gezien. In 2002 was dat het ongenoegen over het immigratie- en integratiebeleid, dit keer is het de crisis in de bestaanszekerheid. Geïnspireerd door Pieter Omtzigt lijkt ineens élke politieke partij te beseffen dat een groot deel van Nederland een onzeker bestaan leidt en dat dit de belangrijkste oorzaak is van het snelgroeiende maatschappelijke ongenoegen. Elke partij wil tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen daarom laten zien dat ze die bestaansonzekerheid wil tegengaan.
Het wonderlijke is dat de groei van de bestaansonzekerheid niet is terug te zien in de cijfers. Volgens de definities van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), en ook die van het Centraal Planbureau (CPB), is de armoede de afgelopen jaren juist afgenomen.
Dit laat zien dat de bestaansonzekerheid wellicht niet zit in het gemiddelde inkomen of in de inkomensverdeling, maar in de uitzonderingen, in de ongelukken. In het besef dat je – mocht het om wat voor reden dan ook even tegenzitten in het leven – niet hoeft te rekenen op een vangnet. Het besef dat je, als je je huis kwijtraakt, niet automatisch een nieuw huis vindt. Het besef dat je, als je eenmaal schulden hebt gemaakt, geconfronteerd wordt met een genadeloze schuldenindustrie die je geen enkele uitweg biedt. Het besef dat je, als je in een slecht geïsoleerde huurwoning zit, ineens geconfronteerd kunt worden met een torenhoge energierekening.
Misschien zit de bestaansonzekerheid ook in een ondoorgrondelijke en onnavolgbare overheid. Een overheid die sinds Rutte aan de macht is gekomen, de nadruk legt op zelfredzaamheid terwijl een groot deel van Nederland liever een zorgzame overheid heeft. Een overheid die een ondoorgrondelijk web aan belastingkortingen en toeslagen heeft opgetuigd, waardoor werknemers die meer uren werken, er financieel niet of amper op vooruitgaan. Misschien zit de bestaansonzekerheid in de voortdurende prijsstijgingen, zelfs als die uiteindelijk gecompenseerd worden. Inflatie heeft een ontwrichtende werking, is al vaker in de geschiedenis gebleken.
Deze bestaansonzekerheid komt niet uit de cijfers van CBS en CPB naar voren.
Des te verrassender is het dat de Tweede Kamer de uitweg vooral in financiële oplossingen zoekt, naar oplossingen streeft die wel in de cijfers van CPB en CBS tot uiting komen, zoals de verhoging van het minimumloon en de verlaging van de brandstofaccijns. Zulke maatregelen geven financieel lucht en dat is fijn voor veel Nederlanders, maar ze zijn ook erg ongericht en dus duur. Van een permanente verlaging van de brandstofaccijns profiteren vooral de Nederlanders, die bestaanszeker zijn – het is bovendien in strijd met het streven naar een duurzame samenleving. Dergelijke geldsmijterij wakkert de inflatie verder aan en daarmee uiteindelijk ook de bestaansonzekerheid.
Wie de bestaansonzekerheid echt wil bestrijden, zou zich in de eerste plaats op de woningmarkt moeten concentreren. Een betaalbare woning voor elke Nederlander is de beste remedie tegen elke vorm van onzekerheid. Daarna is het verstandig het belastingstelsel onder handen te nemen, drastisch te versimpelen, zodat de burger de overheid weer begrijpt. Een fundamenteel andere houding van de overheid – zorgzaam in plaats van afstandelijk – zal ook enorm helpen.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Source: Volkskrant