Guido van Driel heeft zijn stripboek Toen we van de Duitsers verloren, waarin hij terugkeert naar zijn jeugd in een nieuwbouwwijk in de jaren zeventig, verfilmd. Hoe verhouden die stripschilderijtjes en zijn film zich tot elkaar? Werkt wat mooi is op papier ook als bewegend beeld?
‘Ik denk dat Toen we van de Duitsers verloren rijper is dan mijn vorige films’, zegt Guido van Driel. ‘Daar moest ik dus een zestiger voor worden.’ De in zwart-wit gedraaide derde film van de 61-jarige striptekenaar, filmregisseur en scenarist (eigenlijk: stripschilder, want hij hanteert voor zijn strips voornamelijk kwasten) is zijn meest ingetogen werk tot nu toe. Van Driel duikt met de verfilming van zijn gelijknamige strip uit 2002 in een onuitwisbare jeugdherinnering. In de zomer van 1974 werd zijn 10-jarige klasgenootje Heleentje Isaac ontvoerd en vermoord. Peter R. de Vries zou later nog een boek aan de zoon van de moordenaar wijden, Een moord kost meer levens.
Over de auteur
Berend Jan Bockting schrijft sinds 2012 voor de Volkskrant over film.
Van Driel verbindt de dagen van de verdwijning van Heleentje (in de film heet ze Catootje) aan de milde nationale verdoving na de finale van het WK voetbal, die door Nederland met 1-2 van West-Duitsland werd verloren. De introverte Jonas (Rein Hoeke) en branieschopper Daan (Kylian de Pagter) trekken samen op pad door de verlaten straten van de Zaanse jarenzestigwijk Hoornseveld, waar Van Driel opgroeide. In de film fungeert Jonas min of meer als het alter ego van Van Driel. De jongens zijn geen vrienden, maar moeten het met elkaar rooien omdat anderen op vakantie zijn. Tegen een decor van onbestemd verdriet volgt een onderdompeling in coming-of-age-achtige, behaaglijke zomerse verveling.
Lees ook onze recensie van Toen we van de Duitsers verloren
In het zwart-wit van Guido van Driel heeft de typische Nederlandse nieuwbouwwijk iets ontroerend moois ★★★★☆
We spreken Van Driel bij hem thuis in Amsterdam, het verfilmde stripboek ligt op tafel. De klassenfoto met hem en het later vermoorde meisje bestaat inmiddels in drievoud: het origineel, de geschilderde uitvoering en het geënsceneerde moment in de film waarop de schoolfotograaf de foto maakt. Hoe verhouden die stripschilderijtjes en zijn film zich tot elkaar? Werkt wat mooi is op papier ook als bewegend beeld?
Eerst een biecht: Van Driel wilde in zijn vorige twee speelfilms soms wat veel tegelijk, zegt hij. Die twee door elkaar lopende verhaallijnen in De wederopstanding van een klootzak (2013), de verfilming van zijn eigen strip Om mekaar in Dokkum (2004), waren er bij nader inzien misschien een te veel. En in zijn op de Amsterdamse Wallen gesitueerde tweede film Bloody Marie (2019), naar een met cameraman Lennert Hillege geschreven scenario, was hij naar eigen zeggen wel érg scheutig met muziek.
Zijn aanpak zorgde er wel voor dat hij, na zijn debuut als stripmaker in 1994, zijn entree in de filmwereld maakte als aangenaam tegendraads opererende nieuweling. Die twee plotlijnen in De wederopstanding van een klootzak, destijds de openingsfilm van het filmfestival van Rotterdam, zijn ook vol bravoure geregisseerde schetsen van verschillende door geweld geteisterde levens.
‘Toch wilde ik die overdaad deze keer vermijden. In de strip speelt ook het perspectief van de moordenaar een rol. Dan zou ik weer twee verhaallijnen moeten verfilmen. Ik vond dat de film volledig over de beleving van die twee jongetjes moest gaan.’
Geen moordenaarsperspectief dus. En ook geen scènes met Adolf Hitler op een Amsterdamse rondvaartboot, zoals in de strip. Daar is het een geslaagde running gag: Jonas en Daan vertellen elkaar een onzinverhaal over de nog levende dictator die als man op leeftijd – wat grijzer, maar nog steeds met dat snorretje – opduikt in het hoofdstedelijke straatleven.
‘Ik wilde Hitler eigenlijk heel graag in de film, maar toen moest ik nadenken hoe we dat konden uitvoeren en werd het lastig. Gaan we op zoek naar een Hitler-lookalike? Bewerken we oude opnamen van Hitler zo dat hij aanvaardbaar oogt in ons filmdecor? Het bleek een ingewikkelde missie, met mogelijk geringe resultaten. Best begrotelijk ook. Gaandeweg sleet mijn enthousiasme. Hitler was sindsdien sowieso al een keer in het dagelijkse leven opgedoken, in de Duitse komedie Er ist wieder da (2015). Zo’n dijenkletser ging dit niet meer worden.’
In een mooie scène maakt de dictator alsnog zijn opwachting, zij het indirect. Van Driel: ‘Tijdens een repetitie tekende Kylian voor de spiegel zo’n snorretje bij Rein. Vond ik meteen grappig, ook omdat Rein van dat sluike zwarte haar heeft. Reins moeder had daar meer moeite mee. Gelukkig liet ze zich overtuigen door vriendinnen. Ze zagen de scène zoals ik hem bedoelde, teder en onschuldig. Ik was daar blij mee. Het is hét moment in de film waarop de twee jongens een heel leuke dynamiek hebben. Ze zijn de hele tijd bezig met elkaar vliegen afvangen, maar hier zijn ze samen.’
Op de eerste pagina’s van het stripboek staan beweeglijk ogende schilderijtjes van de voetbalfinale. De versnelling van Cruijff, die zou leiden tot een vroege voorsprong van Oranje, komt mooi tot leven. Waar is die wedstrijd in de film eigenlijk gebleven? Van Driel schiet in de lach: ‘Dat is dus crazy duur! Het zijn laaienlichters van jewelste, bij de Fifa. Wilden we die beelden gebruiken, dan moesten we vanaf de eerste seconde zo’n 60 duizend euro betalen. Dat vertikten we. We hebben het moment na het laatste fluitsignaal gefaket, in een stadion in IJmuiden. Ik wilde blije Duitsers in de film, dus nu hebben we een namaak-Beckenbauer op z’n knieën.’
We bladeren door naar de talloze beelden van de nieuwbouwwijk. Smalle steegjes naar achtertuintjes van rijtjeshuizen. De ene straat is slechts van de andere te onderscheiden doordat iemand toevallig een anker in zijn tuin heeft gezet. Het oogt, net als in de film, als een ode aan vaak verfoeide architectuur.
‘Ik ben ervan overtuigd dat je moet weten waarover je praat als je iets opvoert. Dit is de omgeving waarin ik ben opgegroeid. Het mooie van die nieuwbouwwijken vind ik dat je nooit meteen weet waar je bent, maar wel dat het in ieder geval ergens in Nederland is. Het verbaast me dat daar zo weinig mee wordt gedaan in Nederlandse films. Voor je het weet film je als Nederlandse regisseur alweer in de grachtengordel. In de Verenigde Staten maken ze geweldige films in de buitenwijken van hun grote steden – van die plekken vol onderdrukte gevoelens. Suburbaan drama. Die setting hebben wij ook, dacht ik.’
De aantrekking van de Nederlandse nieuwbouw uit de jaren zestig zit voor Van Driel in de leegte. ‘In mijn boek en film oogt het niet echt stads, meer als slaapstad. Alles is uniform. Als je oppervlakkig kijkt, lijkt het allemaal hetzelfde. Ik zie het vervolgens als mijn missie om je met meer aandacht te laten kijken. Je langzaam te laten ontdekken wat er achter de muren gaande is, waardoor zich een hele wereld opent. In zo’n setting vind ik dat een uitdagendere missie dan in het mooie oude centrum van een bekende stad.’
Naar een geschikte buurt die voor een wijk in de jaren zeventig kon doorgaan was het trouwens goed zoeken. ‘Op haast elk dak liggen tegenwoordig zonnepanelen. Ik hoopte in het echte Zaandam te filmen, maar dat werd voor deze scènes IJmuiden. Hoefden we alleen nog hier en daar een windmolentje weg te poetsen.’
In de strip heeft Jonas een zelf ingericht museum in het tuinhuisje van zijn achtertuin. De bewerking van boek naar film ging in dit geval moeiteloos. Jonas verzamelt aardewerkscherven en pijpenkoppen, die hij vindt op de opgespoten bouwgrond aan de rand van zijn buurt. ‘Ik heb een zwak voor mensen met een eigenaardige verzamelwoede’, zegt Van Driel. ‘Ik kende eens een man met allemaal zwart-witansichtkaartjes van bankjes in het bos – vind ik mooi.
‘Voor de film leek het lange tijd onmogelijk om zo’n kale zandvlakte te vinden. We stuitten uiteindelijk op een zandopslag aan de Noorder IJplas, tussen Amsterdam-Noord en Zaandam. Daar ligt het vol zand van bouwplaatsen uit het centrum van de stad. Ik liep er rond en vond meteen weer pijpenkoppen en potscherven – meteen weer dat opwindende gevoel van vroeger. Het waren ook nog eens dingen die we in de film konden gebruiken.’
Ook fraai in de strip: de gevoelige, kleine terugblik naar een moment waarop Jonas tijdens een klassenuitje in de Amsterdamse Hortus Botanicus tussen de tropische planten voorzichtig toenadering zoekt tot Catootje. Van Driel houdt niet van flashbacks in films, zegt hij, omdat ze zelden weergeven hoe onvoorspelbaar herinneringen het hoofd soms binnenflitsen en te vaak verklaren wat niet verklaard hoeft te worden. Maar in dit geval maakte hij een uitzondering. Filmen in de echte Hortus was te ingewikkeld, maar ze vonden een geschikte variant in Akersloot, in het Noord-Hollandse kassengebied.
‘Ik heb er altijd schik in gehad om de Hortus te tekenen. En ik heb een bepaalde fascinatie voor het tekenen van vetplanten en cactussen. Die kinderen en die planten vormen dan intuïtief een soort geheel. Mooi hoe je op deze plek die gezichten een beetje achter de bladeren kunt laten schuilen.’
Een algemene indruk in zowel boek als film: vooral Jonas blijft de hele vertelling hopen op Catootjes terugkeer. Dankzij Daan slaagt hij erin zijn zinnen te verzetten. Haar verdwijning lijkt daardoor soms niet meer dan decor. De herinnering aan een mogelijk ontluikende liefde is zeker zo belangrijk. Of de flauwe Hitlergrapjes. De zorg voor wat zich in de grond rond de wijk bevindt. Het onderlinge geouwehoer over niets. De gedeelde fascinatie voor muziek.
‘Zo is het altijd met kinderen’, zegt Van Driel. ‘Je kunt verdrietig zijn, maar dat ben je hooguit deels. Op dezelfde dag kun je alweer de slappe lach krijgen met je beste vrienden. Het was heel vanzelfsprekend om het zo te filmen. Die verdwijning is typisch zo’n gebeurtenis waar je pas jaren later opeens heel veel mee bezig bent. Zo ging dat tenminste in mijn geval. Dan pas realiseer je hoe afschuwelijk het voor die ouders moet zijn geweest.’
Het rouwen is sinds de jaren zeventig sowieso veranderd, denkt hij. ‘Nu zou er een hele bloemenzee bij de school liggen. We zijn in dat opzicht als mens heel extravert geworden. Terwijl de echte rouwverwerking toch een hoogst particuliere aangelegenheid is.’
De stripuitvoering van Toen we van de Duitsers verloren is in de slipstream van de verfilming onlangs bij Concerto Books verschenen in een fonkelnieuwe uitgave. De beelden zijn hier en daar opnieuw gerangschikt op de pagina’s en de tekst sluit beter aan op de dialogen van de film. Guido van Driel schreef een bijbehorend essay over de totstandkoming van de film; ook bevat de heruitgave stills en foto’s van de filmset.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden