Home

Overlevende van de Adriana: ‘De Griekse kustwacht had ons kunnen redden’

De tanden van Ahmad al Barad klapperen oncontroleerbaar. Hij probeert zijn gebit tot stilstand te dwingen, bijt op zijn onderarm. Met zijn andere arm draait hij kleine rondjes, minimale bewegingen om te blijven drijven. Hij kan niet meer. De 49-jarige Syriër ligt op de vroege ochtend van 14 juni al zeker vijf uur in het koude zeewater.

Al Barad is een religieus man. Hij richt zich tot Allah. Help me alsjeblieft, laat het stoppen, maak er een eind aan. Het lijkt alsof iemand tegen hem spreekt. Kijk achterom, denkt hij te horen.

Hij draait zijn hoofd en ziet in de verte een boot van de Griekse kustwacht aankomen. Als de mannen bij hem in de buurt zijn, werpen ze hem een reddingsboei toe. Die landt op slechts 2 meter afstand, maar het lukt hem niet om ernaartoe te zwemmen. De mannen gooien nog een keer, nu kan hij de boei vastgrijpen. Ze hijsen hem aan boord. Zijn broek en onderbroek is hij kwijtgeraakt. Hij is bijna naakt, maar zijn lichaam is zo koud dat hij het niet doorheeft. De mannen slaan een deken om hem heen, hij raakt buiten bewustzijn. Hij komt bij, hoort een helikopter, zakt weer weg. Als hij zijn ogen opent, ligt hij in een ziekenhuisbed.

‘Ik wilde mijn vrouw en kinderen bellen, maar dat mocht niet’, vertelt Al Barad drie maanden na de ramp. Hij woont inmiddels in een asielzoekerscentrum in Sneek. ‘Er stond zelfs beveiliging voor de deur.’

De ramp met de Adriana is het grootste bootongeluk op de Middellandse Zee van de afgelopen jaren. In de nacht van 14 juni verdronken meer dan 600 migranten. Slechts 104 opvarenden werden gered.

Er zaten veel te veel mensen op de oude vissersboot. Al dagenlang was er geen voedsel meer, geen water. Er waren problemen met de motor, op de laatste dag dobberde de trawler een paar uur doelloos op zee.

Iedereen was op de hoogte van de problemen: de Italiaanse kustwacht, het Europese grensagentschap Frontex, de Griekse kustwacht. Die laatste had in actie moeten komen; de boot voer in de Griekse zoek- en reddingszone. Toch gebeurde er heel lang niets.

Bijna dertien uur nadat de Grieken waren ingeseind, kwamen ze aan bij de trawler. Van een grootschalige reddingsactie was geen sprake, er was slechts één schip. Wat er vervolgens gebeurde, is nog altijd niet duidelijk. Overlevenden verklaarden dat de kustwacht tot twee keer toe een touw probeerde te bevestigen aan de vissersboot; de tweede keer kapseisde die. De autoriteiten zeggen dat er slechts één poging is gedaan om een touw vast te knopen, uren voordat het mis ging. De Adriana zou zijn gekapseisd omdat er te veel mensen aan een kant stonden.

Beelden zijn er niet. De infraroodcamera’s op het reddingsschip stonden uit. Na de ramp werden de overlevenden dagenlang afgesloten van de buitenwereld, de toegestroomde pers mocht niet met ze praten. De Griekse autoriteiten stellen dat de opvarenden hulp weigerden, omdat ze door wilden naar Italië. Overlevenden en de ngo’s die hen bijstaan, zeggen dat ze wél gered wilden worden. Alleen de bemanning wilde doorreizen.

Griekenland doet zelf onderzoek naar de toedracht. De overlevenden zijn daar niet gerust op. Veertig van hen dienden vorige week een aanklacht in tegen de Griekse autoriteiten. Ze eisen per direct een diepgravend en betrouwbaar onderzoek naar de rol van de kustwacht. Dunja Mijatovic, mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, maakt zich eveneens zorgen, schreef ze eind juli in een brief aan de Griekse premier. Er zou druk zijn uitgeoefend op overlevenden om andere verklaringen af te leggen, ook zou bewijsmateriaal niet goed verzameld zijn. De rol van de kustwacht mag niet buiten beschouwing worden gelaten, benadrukte ze.

Internationale media trokken al wel conclusies. Op basis van satellietbeelden, radioberichten en rechtbankdocumenten schreven kranten als The Guardian, The Washington Post en The New York Times dat deze ramp voorkomen had kunnen worden. ‘Iedereen wist dat de migrantenboot gedoemd was’, kopte die laatste. ‘Niemand hielp.’

Zo denkt Al Barad er ook over. ‘De Griekse kustwacht had ons kunnen redden’, zegt hij. ‘Maar heeft dat niet gedaan.’

Hij wil zijn verhaal vertellen, opdat de slachtoffers en overlevenden niet vergeten worden. Hij hoopt ook in contact te komen met een advocaat. ‘Ik wil juridische stappen ondernemen, maar ik weet niet waar ik moet beginnen.’

Twee maanden en 27 dagen wacht Al Barad in Libië al op een boot naar Italië. Met een groep wordt hij van onderkomen naar onderkomen gesleept. Naar buiten mag hij niet, de kans op arrestatie door de politie of ontvoering door bendes is te groot. Een Libische man probeert een plek waar ze langer verblijven tot twee keer toe in brand te steken. ‘We waren altijd bang dat zoiets zou gebeuren’, zegt de Syriër.

Op de laatste dag worden ze naar Tobroek gebracht, een stad in het oosten. Vier of vijf uur wachten ze in een appartement in aanbouw. In de vroege ochtend van 9 juni worden ze in een koelwagen gezet en naar de haven gereden. De smokkelaars willen niet dat je iets van de reis documenteert of er iemand over vertelt, telefoons worden daarom ingenomen. Met vijftig tot zeventig mensen stappen ze op een bootje. Dat brengt hen naar de Adriana, die verder in zee ligt.

Hij beseft niet meteen dat het mis is. Ze behoren tot de eersten die aan boord gaan van de oude trawler. Er is verteld dat er 150 tot 200 mensen zullen meevaren, ongeveer de capaciteit van de boot. Tot hun ontsteltenis wordt het drukker en drukker. De smokkelaars gooien water en eten van boord om plaats te maken voor meer migranten. Uiteindelijk worden zelfs zo’n 150 mensen terug naar de haven gebracht. Er past niemand meer bij.

Teruggaan is geen optie, weet de Syriër. De smokkelaars zijn bewapend. ‘Baltagiya’, noemt hij ze, een benaming voor bendeleden of knokploegen. Die zorgen wel dat je je koest houdt. Bovendien zou hij dan in één klap al zijn geld kwijt zijn. ‘Ik wilde gewoon zo snel mogelijk weg’, zegt Al Barad.

Samen met vier reisgenoten zit hij op het bovendek. Daar verblijven de mensen die het meest hebben betaald voor de reis. De twee vrouwen uit hun groep zitten beneden. In het ruim, bedoeld voor visopslag, zitten hoofdzakelijk Pakistanen. ‘Een hels klassensysteem’, in de woorden van The New York Times. Maar ook op het bovendek is het zo vol dat Al Barad en zijn reisgenoten hun benen niet kunnen uitstrekken.

Bij zonsopkomst vertrekt de Adriana. Het valt de Syriër op dat de trawler wankel is, uit balans. Maar toch – de eerste twee dagen gaan nog wel. Vanaf de derde dag is er geen water meer. ‘Toen begonnen de problemen’, zegt hij. Mensen drinken vervuild water uit het koelsysteem van de motor. Ze zeven het met hun T-shirt.

De reis zou twee tot drie dagen duren. Steeds vragen de opvarenden aan de kapitein, een 22-jarige Egyptenaar, wanneer ze er zijn. ‘Morgenmiddag’, antwoordt hij dan. ‘Hij was onervaren, leek geen idee te hebben wat hij aan het doen was. De ene keer zagen we de zon daar, dan weer aan de andere kant. We voeren zonder richting.’

Twee mannen zijn dan al overleden, een Pakistaan en een Egyptenaar. Door uitdroging, waarschijnlijk. De lichamen kunnen niet tussen de andere mensen blijven liggen. Ze worden op de stuurhut van de kapitein gelegd – ook in de hoop dat voorbijvarende schepen zien dat het mis is op de oude vissersboot.

‘De vijfde dag ging het niet meer’, zegt Al Barad. Die ochtend lukt het de opvarenden eindelijk om de kapitein te overtuigen een noodoproep te doen. Eerder weigerde hij steeds, hij wilde koste wat kost Italië bereiken. Naar verluidt krijgen bemanningsleden pas betaald als ze de bestemming bereiken. ‘Hij had een satelliettelefoon, maar hij wist niet hoe die werkte. Uiteindelijk lukte het een vrouw om een bericht te versturen.’

Rond het middaguur vliegt er meerdere keren een toestel van Frontex over. De Europese grensbewaker constateert dat de oude vissersboot zwaar overbeladen is en zeer langzaam vaart. Frontex geeft de beelden en informatie door aan de Griekse en Italiaanse autoriteiten, blijkt uit het feitenrelaas dat de organisatie na de ramp publiceert. De Grieken vliegen vervolgens met een helikopter boven de boot, maar laten de kustwacht nog altijd niet ingrijpen. Er is contact met de satelliettelefoon aan boord, een opvarende zou hebben gezegd dat er alleen voedsel en water nodig was, stellen de Grieken nadien. Daarom vraagt de kustwacht een vrachtschip dat in de buurt ligt om naar de Adriana te varen.

‘We kregen veertig dozen water’, zegt Ahmad al Barad. ‘Die werden in zee gegooid, de goede zwemmers moesten ze ophalen. Daarna vertrokken ze weer.’

Tweeënhalf uur later verschijnt een olietanker. ‘Toen dachten we dat het goed kwam, dat we gered zouden worden.’ Maar nee, ook deze boot brengt alleen brood en wat water, twee dozen slechts. ‘Iedereen rende erop af. We hadden zo’n dorst en honger. We gedroegen ons als honden, het spijt me dat te moeten zeggen.’

‘Verwoestend’, noemt hij het besef dat ook dit schip ze niet komt redden.

Om kwart voor elf in de avond verschijnt eindelijk de Griekse kustwacht. Het is een relatief kleine boot, lang niet groot genoeg om de opvarenden van de Adriana onder te brengen. ‘Ze gooiden een touw, iemand bond het vast. Toen ze gingen slepen, knapte het.’

Volgens Al Barad vindt er nog een tweede sleeppoging plaats, nu met een dikker touw. En dan is het in een paar seconden gebeurd. De boot helt naar de ene kant, dan naar de andere, en kapseist.

De Syriër probeert zich aan de reling vast te houden, maar valt bijna meteen in zee. Hij ziet mannen in het water, vrouwen, kinderen. Sommigen klampen zich aan hem vast, trekken hem mee naar beneden. Hij weet dat hij weg moet zwemmen, wil hij dit overleven.

In de donkere nacht hoort hij nog veel geluid, het gegil van mensen die de verdrinkingsdood tegemoet gaan. Als de zon opkomt, ziet hij niemand meer.

Nu, drie maanden na de ramp, tast Al Barad nog steeds in het duister over het handelen van de Griekse kustwacht. ‘Ze hielpen niet bij het vastmaken van het touw, deelden geen reddingsvesten uit, deden niets om de mensen rustig te houden. Toen de trawler kapseisde, sneden ze het touw door en gingen ze met het reddingsschip op afstand liggen. Ik heb het idee dat we het niet mochten overleven.’

Hij is blij om in Nederland te zijn. ‘Hier zijn de mensen aardig en niet racistisch’, verklaart hij. Toch gaat het niet goed met hem. Hij mist zijn vrouw en kinderen die nog in Syrië zijn, hij heeft ze nodig. Elke avond gebruikt hij slaapmiddelen om in slaap te komen. En toch zijn daar steeds weer de herinneringen. Van de boot, het kapseizen, de gillende mensen.

‘Misschien geloof je me niet,’ zegt hij, ‘maar ik heb acht maanden geleden een droom gehad waarin ik in het water lag en de mensen om me heen zag verdrinken. Toen het daadwerkelijk gebeurde, was er even die hoop: droom ik nog?’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next