Er zijn twee zekerheden in het leven, zei Benjamin Franklin: de dood en belasting betalen. De derde is, zonder twijfel, de halfjaarlijkse tandartscontrole. Aan belasting ontkom je niet, aan de dood ook niet, maar die tandarts moet je zelf bellen om een afspraak te maken. En dat durfde ik niet.
Onzin, natuurlijk: ze doen je allang geen pijn meer. Maar toch. Ik sloeg een tandartscontrole over. En nog een. En nóg een. Ik kreeg last van een kies die niet meer te redden bleek en liet hem vervangen door een implantaat. Ook dat deed geen pijn, maar het was een tijdrovend en peperduur gedoe.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Ik sloeg nog een controle over, want ik was immers net geweest: als er iets mis was, had de tandarts het toch wel gezien? ‘Ik moet weer eens’, zei ik af en toe tegen mezelf. ‘Nou ja, haast heeft het niet, want ik poets goed en ik stook elke dag.’ Dat was wáár. Maar waarom durfde ik dan niet?
Ik lag er wakker van. ‘Morgen ga ik echt bellen’, zei ik tegen mezelf. En dan deed ik het niet. Heel lang niet. Maar vorige week raapte ik al mijn moed bijeen en belde. Mijn tandarts bleek met pensioen. Geen nood, ik kon nog dezelfde week bij zijn opvolger terecht.
Daar lag ik, zwetend in die stoel. De assistente keek in mijn mond. Fronste. Keek in mijn dossier. Fronste nog eens en haalde haar schouders op. Ze zei: ‘Hm. Hier moet de tandarts zelf maar naar kijken. Ik ga vast foto’s maken.’
Ze maakte de foto’s en liep de behandelkamer uit. Half huilend van spijt en wanhoop lag ik op die stoel. Wat een rund was ik ook. Wat een godvergeten idioot. Dit ging me duizenden euro’s kosten en vele, vele uren in die ellendige stoel. Daar kwam de tandarts, een knappe, goedlachse jongeman. Verslagen opende ik mijn mond en wachtte op het vonnis.
Hij duwde hier en daar, met zijn haakje. Hij keek naar de foto’s. ‘Nou, dat ziet er prima uit’, sprak hij opgewekt. ‘Geen gaatjes of niks.’ Ik kon mijn oren niet geloven. ‘Maar ik ben best een tijd niet geweest’, piepte ik. Hij keek in mijn dossier. ‘Acht jaar!’, lachte hij hoofdschuddend. ‘Voortaan niet meer zo lang wachten hoor!’
Zwevend van opluchting besteeg ik mijn fiets. Acht jaar! Ongelooflijk! Ach ja, hora ruit, tempus fluit. Vrij vertaald: als je je gebit goed verzorgt, hoef je niet elk half jaar naar de tandarts. Eens in de acht jaar is meer dan genoeg.
Source: Volkskrant