Bas Hoekman is 100 jaar. Hoe kijkt de gepensioneerde belastingcontroleur aan tegen de eeuw die achter hem ligt? En waarom veranderde hij zijn naam?
Een grote meevaller in het 100ste levensjaar van Bas Hoekman was de verlenging van zijn rijbewijs met nog eens drie jaar. Zo kan hij door Eindhoven blijven rijden in zijn Toyota – verder dan zijn woonplaats gaan de ritten van de 100-jarige niet meer. Omdat de benenwagen zo snel niet meer gaat, haalt hij elke donderdag met de auto boodschappen bij de supermarkt – met zijn goede vriend Johan van 95. Een uitje waar de mannen elke week opnieuw naar uitkijken. Na afloop eten ze samen. De auto is ook behulpzaam bij het onderhouden van zijn sociale contacten, want Hoekman rijdt ermee naar zijn midgetgolfclub en kaartclub.
De deur van zijn hoekwoning, met in de tuin een partytent waar de slingers voor zijn 100ste verjaardag nog hangen, wordt opengedaan door zijn mantelzorger Sandra. Achter haar komt de 100-jarige aangelopen, zonder stok of rollator. Een rijzige gestalte met een enigszins melancholische oogopslag.
‘Van een arme, boerenjongen uit een Zeeuws gezin die vanaf zijn 9de moest werken, heb ik het gebracht tot middelbaar ambtenaar bij de Belastingdienst, onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor veertig dienstjaren en allerlei nevenactiviteiten. Voor een jongen die lang bleu en erg verlegen was, heb ik veel bereikt. Op de lagere school bleef ik vaak in een hoekje staan, omdat ik niet met andere kinderen durfde te spelen. Voor mijn latere werk bij de douane, na de oorlog, volgde ik cursussen waarvoor ik mondelinge examens moest afleggen. Dan moet je je een beetje kunnen presenteren. Dat ging telkens mis omdat ik te verlegen en te bescheiden was.’
‘Ja, door de waardering die ik voor mijn werk kreeg. De inspecteur bij de Belastingdienst, waar ik na de douane ging werken, wist dat ik moeite had met examen doen. Daardoor dacht ik: ik zal in mijn werk laten zien wie ik ben en wat ik kan, soms een beetje fanatiek. Bij controles bij ondernemers kwam ik dingen tegen die niet door de beugel konden, zoals een keer een geheime boekhouding; over dat deel van de omzet werd geen belasting betaald. Dat ontdekte ik samen met een collega van de douane tijdens een bezoek aan een bedrijf. Bij die collega werd ’s avonds een blik verf door het raam gegooid. Ik werd ’s nachts gebeld. Na overleg met de inspecteur zijn we de volgende dag teruggegaan om ons onderzoek voort te zetten. Er liepen toen een paar lugubere figuren rond, om ons te intimideren. Ik zei de eigenaar dat ik wist wat er was gebeurd bij mijn collega en dat ik er niet van gediend ben ’s nachts gebeld te worden. Diezelfde avond ging er bij de inspecteur thuis een blik verf door een slaapkamerraam waar een kind sliep. De zaak is toen overgedragen aan de Fiod (de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, red.).’
‘Ik zocht gerechtigheid. Ik kon er niet tegen als mensen niet eerlijk waren en belasting ontdoken.’
‘Er zijn meerdere momenten in mijn leven geweest die mij bijna het leven hebben gekost. Zo stond ik bij de Slag om Arnhem, 17 september 1944, op honderd meter van een vliegtuig dat neerstortte. Daarbij werden drie jongens uit één gezin en een vriend gedood. De Watersnoodramp in februari 1953 in Zeeland was ook zo’n moment dat het kantje boord was. Ik had net verkering met Rietje. We waren naar een zanguitvoering in Tilburg geweest, toen we de berichten hoorden over de zware noordwesterstorm en de overstromingen in Zeeland. Mijn ouders woonden met mijn jongste broer in Brouwershaven, midden in het noodgebied. De volgende dag vertrok ik met drie vrienden die ook familie in Zeeland hadden. Met een bus en een militair voertuig kwamen we tot de Anna Jacobapolder, het was nog vier kilometer lopen tot de veerpont naar Schouwen-Duiveland. In het donker liepen we over een smal dijkje, dat zompig was door het opkomende water aan beide kanten. Onderweg kwamen we een man tegen, die riep: ‘Begin er niet aan, het is levensgevaarlijk!’ We liepen door. De pont voer niet meer. We overnachtten in het wachtershuisje.
‘De volgende ochtend zagen we dat heel Schouwen-Duiveland onder water stond en beseften we hoe gevaarlijk onze tocht was geweest. Het lukte met een bootje de boerderij van mijn ouders te bereiken. Ik zag hoe mijn vader, staand in het water, weckflessen met groenten uit de kelder haalde. Hij vertelde dat mijn moeder en broer in veiligheid waren gebracht op een droog gebleven dijk. Met zijn drieën hadden ze tijdens de storm en overstroming op zolder gezeten. Al het kleinvee was verdronken, de koeien en paarden hadden nog net hun kop boven het water kunnen houden. Ik ben begonnen met hulp verlenen in de omgeving: overlevenden op brancards evacueren.’
‘In een arm gezin van een keuterboer met zeven kinderen, in Brouwershaven. Mijn vader was een optimist, ik hield van zijn lolletjes. Mijn moeder was zwaar op de hand. Ik lijk helaas het meest op mijn moeder, maar van haar heb ik hard werken geleerd. Mijn vader was een boerenknecht die zich liet verhuren. In de crisisjaren ’30 wilde hij met het gezin naar Zuid-Afrika emigreren, maar dat ging niet door, omdat hij praktisch analfabeet was. Hij kon alleen zijn eigen naam schrijven. Hij begon een eigen boerderijtje, met één koe. Van de provincie kon hij de bermen van landwegen huren om zijn vee te laten grazen. Toen ik 9 jaar was, was het ook mijn beurt om vader te helpen. Om 5 uur moest ik opstaan om de koeien te melken en daarna op de koeien te passen, want die liepen los in de berm. Koeienwachter, heette dat beroep. We verbouwden ons eigen eten. Als het Sinterklaas was, stond er een zak met afgedankte kleding van een gezin uit de buurt voor de deur.
‘Na de lagere school mocht ik als eerste in het gezin doorleren, het werd de land- en tuinbouwschool. Daarna ging ik bij mijn vader werken en later nam ik het groentebedrijfje van mijn broer over, die in militaire dienst moest. Met een kar met een hond ervoor ging ik de deuren langs om groente te verkopen.
‘Ik was de middelste in het gezin. Vroeger werden kinderen naar de grootouders vernoemd. Aangezien ik twee broers en een zus boven mij had, was er nog één grootouder over: mijn oma Elisa. Zodoende werd Elisa mijn naam. Lies, noemden ze mij meestal. De verandering van mijn voornaam kwam toen ik verkering kreeg met Rietje, met wie ik 67 jaar getrouwd ben geweest. Haar collega’s op kantoor vroegen hoe haar verkering heette. Ze durfde niet te antwoorden. Ze bedacht mij voortaan Bas te noemen, naar de sigaren Elisabeth Bas die ik rookte. Sindsdien heet ik Bas. Mijn Zeeuwse familie is mij altijd Lies blijven noemen.’’
‘Ik heb veertig jaar gerookt en ben begonnen in oktober 1944, kort voor de bevrijding, toen ik ondergedoken zat op een boerderij in Bladel. Engelse soldaten die ik tegenkwam, deelden sigaretten uit. Op mijn 63ste ben ik gestopt, kort nadat ik met pensioen was gegaan. Rietje werkte nog door, in de zorg, en vond het niet prettig om in een rookwalm thuis te komen.’
‘Met hulp van het verzet in Zeeland kon ik op een boerderij in Bladel terecht, om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Bijna 1,5 jaar heb ik op de boerderij gewerkt, ik sliep op de hooizolder. In 1944 hielden de Duitsers een razzia onder de boeren. Mijn baas werd meegenomen, ik had mij gelukkig goed verstopt. Bij de inval schoten de Duitsers de poot van een koe eraf. De boerin voelde zich niet meer veilig op de boerderij. We lieten de gewonde koe achter, en met paard en wagen vluchtten we met haar zeven kinderen naar Eersel, zo’n tien kilometer verderop. Omdat de koeien elke dag gemolken moesten worden, had ik geen andere keuze dan terugkeren naar de boerderij. Daar heb ik het vlees van de inmiddels geslachte koe met die afgeschoten poot ingemaakt in weckpotten.’
‘Kees. Ik wil niemand voortrekken, dus ik noem mijn poes. Aan Kees heb ik ontzettend veel steun. Punt één: ik moet voor hem zorgen, dat is prettig om te doen. Punt twee: ik heb fijn gezelschap aan hem. Als ik op de bank ga zitten, komt Kees naast mij zitten, zo kijken we ’s avonds samen naar de tv. Als ik lig te slapen, komt hij in mijn armen liggen.’
‘Ik maak mij zorgen om het klimaat. Ik zie het duidelijk achteruitgaan. Hittegolven en regenperioden duren veel langer dan vroeger. Het stikstofprobleem bij boeren is een regionaal probleem dat opgelost kan worden. Veel gevaarlijker is het fijnstof dat zich over de hele wereld verspreidt. We moeten veel minder autorijden en vliegen. Dit zijn de wijze woorden van een oude man. Ik ben benieuwd welke oplossingen er komen, die zou ik graag meemaken. Ik vind dat ik nog lang niet ben uitgeleefd.’
geboren: 9 juli 1923 in Brouwershaven
woont: zelfstandig, in Eindhoven
beroep: hoofdcommies bij de belastingdienst
familie: nog een broer (94) en neven en nichten
weduwnaar: sinds 2021
Source: Volkskrant