Home

Zou Willem van Oranje dit gezien hebben?

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Soms heb je een nieuwe gedachte. Ik bedoel niet dat je iets leert wat je nog niet wist, René van Stipriaans Reisboek van Willem van Oranje wemelt van de feiten die ik niet kende. Maar ik bedoel dit: ik stond bij de kerk in Zeerijp, een veertiende-eeuwse grote bakstenen kerk, en ik vroeg me af: zou Willem van Oranje deze kerk gezien hebben met zijn eigen ogen?

Dat zou kunnen.

Van de kerk in Appingedam weet ik het nu wel zeker – Oranje was daar immers, als twaalfjarige jongen weliswaar en die kerk was daar toen ook al. Verder kan er niet zo heel veel meer over zijn van het stadje zoals hij dat zag.

Alle kerken in het Groninger land stonden er al – langs welke plaatsen reisden Maria van Hongarije en haar enorme gevolg in 1545? Dat zou ik nu ineens wel precies willen weten, veel preciezer dan die luchtige pijl op een illustratie in het boek duidelijk maakt, die van Appingedam naar Leeuwarden wijst.

Om een of andere reden is het enorm aantrekkelijk te weten op welke kerkgebouwen de ogen van Oranje hebben gerust. De twaalfjarige ogen van een jongen in een ongemakkelijk hotsende koets. Misschien keek hij wel amper naar buiten. Misschien mocht hij af en toe een stukje te paard en was hij drukker met het paardrijden en met zijn gezelschap dan met die kerken van ons. Wat zou je trouwens überhaupt kunnen denken in zo’n rottige, ongemakkelijke wagen of te paard over slecht begaanbare wegen door moerassige streken die vaak overstroomden? Misschien hooguit dat de mensen er heel verstandig aan gedaan hadden om, al eeuwen en eeuwen daarvoor, woonheuvels op te werpen. De wierden met hun dorpen, en hun kerken, moeten toen veel meer dan nu als eilandjes en vluchtheuvels boven het land gelegen hebben.

Waarom is het zo’n aantrekkelijk idee dat Willem van Oranje een bepaalde kerk gezien heeft die ik nu ook kan zien? En vooral als het een kleine kerk betreft, in een dorp – dat hij de A-kerk in de stad Groningen zag, of later de Martinitoren, is wel zeker, maar dat ontroert me niet. Die gebouwen zijn te algeméén zichtbaar.

De gedachte daarentegen dat hij het siermetselwerk in de nissen van de kerk in Leermens gezien zou hebben, en dat die kerk dat hele gezelschap aan zich voorbij heeft zien trekken, vind ik op een of andere manier opwindend.

Kerken kijken niet en ze hebben geen geheugen, dat weet ik wel, maar ze zíjn in zekere zin het geheugen, ons aller geheugen, zoals ook oude landwegen dat zijn – paden niet alleen door het landschap maar ook door de tijd.

Dit boek, ik kan er geen genoeg van krijgen, eigenlijk wil ik nog veel meer details, uitklapkaarten, precieze routes, vergelijkingen van hoe de wegen toen liepen en hoe nu. Dan zou ik op Middelstum aan kunnen lopen en langs de kerk trekken en me in het voetspoor wanen van die enorme stoet edelen en soldaten en bevoorraders en tentopzetters en wijnschenkers en kussendragers, en voelen dat ik weliswaar nu hier ben, in 2023, maar dat ik vastzit aan een geschiedenis, aan levens die verdwenen zijn maar die talloze sporen na hebben gelaten, niet alleen de grote en bekende van politieke afspraken en krijgskundige verrichtingen, maar de onzichtbare van een oog dat op een kerkmuur rust, een hand die een klink naar beneden duwt, het geluid van paardenhoeven over de ongelijke keitjes, het vloeken van mensen die een kar uit de modder trekken.

Dat alles ben ik ook.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next