Home

Had ik maar beter geluisterd naar de mensen die zeiden dat het allemaal zo snel gaat

Mijn telefoon herinnert me eraan dat mijn jongste dochter ooit een pasgeboren baby in een witte romper was. Op de foto zitten haar ogen dicht, heeft ze een handje bij haar mond en valt het licht op het blonde dons boven op haar hoofdje. Ik stuur de foto naar mijn vrouw, die in schriftelijk katzwijm valt en me kort daarna een ondraaglijk vertederend filmpje terugstuurt van een jaar of vijf geleden, waarin mijn vrouw zichzelf heeft gefilmd terwijl ze met onze dochters aan tafel zit.

Ik ben niet in beeld, maar aan het commentaar van Leo Driessen op de achtergrond te horen, zit ik op de bank voetbal te kijken. In het filmpje doen mijn dochters in principe niet veel meer dan vijf jaar jonger zijn dan nu, maar het is genoeg. Genoeg om overspoeld te worden door een warmte die begint in mijn onderbuik en zich binnen een mum van tijd door mijn hele lijf heeft verspreid.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Net zo snel als die warmte is opgekomen, trekt hij weer weg, gegrepen door de zwaartekracht van de heimwee en overschreeuwd door de stem die zegt dat ik er tóén meer van had moeten genieten. Dat ik toen meer in het moment had moeten leven. Dat ik toen beter had moeten luisteren naar de mensen die zeiden dat ‘het allemaal zo snel gaat’, in plaats van mezelf te verliezen in de constante vermoeidheid en de behoefte tijd voor mezelf te hebben – waarbij ‘tijd voor mezelf’ zich doorgaans vertaalde in tijd om naar mijn telefoon te staren.

Met die gedachte in mijn achterhoofd zit ik ’s avonds op het voeteneinde van het bed van mijn jongste dochter. Vanavond gaat het me niet gebeuren. Vanavond ben ik helemaal aanwezig. Nadat ik haar welterusten heb gekust, leun ik achterover tegen de muur en blijf naar haar kijken. ‘Weet je wat een medeklinker is?’, vraagt ze met een klein stemmetje. Ze geeft het antwoord zelf. ‘Twee huizen die aan elkaar zitten, dat is een medeklinker.’ Oké, is goed.

Haar hand steekt onder de deken uit en ik pak hem vast. Hij verdwijnt in mijn hand. Haar andere hand legt ze weer over die van mij heen. Zo blijven we liggen, zij met haar krullen in het kussen, ik half rechtop met mijn rug tegen de muur. Langzaam vallen haar ogen dicht. Even gaan ze weer open, treffen die van mij en gaan daarna weer dicht.

Het duurt een seconde, of misschien nog korter, maar heel eventjes valt de rest van de wereld weg en bestaan alleen nog zij en ik, drijvend in een oceaan van tijd. Ze valt, met haar handen nog in en op de mijne, in slaap. Zie je, denk ik, het kan dus wel. Dan pak ik mijn telefoon.

Source: Volkskrant

Previous

Next