Home

Boek uit de kast in… Nijmegen

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Het eerste boek.

Aar, niet Aart! Veel verder dan dit voornaamdetail wist ik niet van de schrijver Aar van de Werfhorst, die trouwens gewoon Piet Jansen heette, toen ik zijn roman De winterkraaien uit een hemelsblauw geschilderd straatboekenkastje in Nijmegen viste. Het was een prachtkastje, met in fraaie letters ‘Bladeren’ boven het deurtje, leren banden voor ‘tijdschriften’ aan de binnenkant en aan de zijkant een overigens plantloos vakje voor stekjes. Ideaal beginpunt voor een rubriek waarin een boek uit een van de talloze straatbibliotheken in Nederland wordt gehaald.

De winterkraaien uit het blauwe kastje hadden al een lang leven achter de rug, in Groenlo. Daar had de Openbare bibliotheek in de Notenboomstraat de pocket in 1977 gekocht – en later afgeschreven. Tientallen jaren hebben Groenlose lezers kennis genomen met de wonderlijke beginscène waarin Van de Werfhorst (1907-1994) beschrijft hoe zeven mannen, de winterkraaien, na hun werk op de veengronden langzaam naar huis trekken over het veld tussen de Lemelerberg in het westen en Sibculo in het oosten, een plaatsaanduiding die de schrijver als een mantra zal blijven herhalen. „Hun zwijgende tocht door het troosteloze land,” schrijft Van de Werfhorst, „zo alsof daar levend geworden bonken aarde bewogen, was onuitsprekelijk weemoedig.”

Weemoedig is De winterkraaien zeker, dit prachtboek uit het prachtkastje. Van de Werfhorst schrijft korte aardse zinnen over de zeven mannen, die worden aangevoerd door Gait Aalvanger, een man met de gave om in de toekomst te kijken en dingen uit het verleden te zien, zoals een middeleeuwse monnik die nog door het veld zwerft. De andere mannen in de ploeg worden kort geïntroduceerd, er zit een drankorgel bij, een moordenaar, een zeventienjarige. Ze dragen namen als Wessel Donker („die zo zwart was als z’n naam aanduidde, maar die een lichte ziel had”).

Zo lijkt Van de Werfhorst alles in gereedheid te brengen voor een verhaal, een avontuur wellicht, over deze zeven mannen en hun onderlinge verhoudingen. Maar dan doet de schrijver iets geks. Hij laat de boot waarin de winterkraaien de vaart oversteken, omslaan. Alle zeven verdrinken. Je zit er als lezer wat beduusd bij, alsof het orkest na het stemmen van de instrumenten het podium weer verlaat.

Dat is schijn, natuurlijk. De mannen zijn niet echt weg. Na de dood van de zeven verschijnen zij een voor een aan hun echtgenotes, waarna Van de Werfhorst de verhalen over de rouw verweeft met hun levensverhalen: hoe de drinker een drinker werd, de moordenaar een moordenaar. Het ene verhaal is nog mooier dan het andere. Van de Werfhorst bedrijft een bijzonder aards soort magisch realisme, daar tussen Sibulco en de Lemelerberg, waar de veenarbeiders proberen om te gaan met de klappen die het leven nu eenmaal uitdeelt. Onnadrukkelijk schrijft hij hoe de dode Wessel Donker voor de kist komt op drie stoelen in de kamer wordt gelegd, onder een kerstster. Dat blijkt de plek waar hij ooit lag te luisteren naar het gepruttel van zijn pasgeboren dochter, een dochter van wie het leven uitliep op een stadse tragedie. Van de Werfhorst leidt je er in kalme, intieme zinnen doorheen. Een wonderschrijver.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next