Vlak na het weekend weg kwam het appje: een paar van mijn reisgenoten hadden beten van bedwantsen. Hoewel, bedwantsen, een andere reisgenoot appte dat het misschien de oogstmijt was. Haastig gegoogelde afbeeldingen van kleine, donkerbruine diertjes met dikke buikjes van het bloedzuigen werden uitgewisseld.
Ik kan zelf geen wants van een mijt onderscheiden en probeerde dat ook niet, want ik was mijn benen aan het bekijken: zat daar een beet, een beginnende beet, of een nog onzichtbare beet die zich pas over twaalf dagen zou onthullen? Want dat doet de wants: hij bijt je in je hotelbed, dan heb je niks door en ga je naar huis, daar zet je, de onschuld zelve, je tas neer, en dan kruipt er zo een heel leger bedwantsen je leven in om je te terroriseren.
Mijn been was vooralsnog vrij van beten, ik waste al mijn kleren, propte mijn reistas in de vriezer, al was dit alles te laat, want toen ik het bericht kreeg, was ik al thuis en de wantsen misschien ook.
In de dagen erna maakte ik iets mee dat ik nog nooit had meegemaakt: mensen reageerden nog hysterischer dan ikzelf op mijn misschien-heb-ik-iets-ergsverhaal. ‘Ik word misschien verkouden’ stuit altijd op: ‘Hm-hm.’ ‘Ik heb het idee dat ik griep krijg’ leidt alleen maar tot: ‘Ja… het heerst.’ En als ik zeg: ‘Ik heb het idee dat ik luizen heb’, reiken volwassen mensen met kinderen me verveeld de flacon Prioderm aan, die ze altijd binnen handbereik hebben. Met ‘Misschien heb ik corona’ krijg je niet meer dan een vermoeide oogrol.
‘OOO! NEE!’, was de meest ingetogen reactie als ik vertelde van weekend weg en wants. ‘HONDERD GRADEN WASSEN’ een ander antwoord. Een vriendin die redelijk wat gewend is, zei: ‘Dit is mijn allerergste nachtmerrie.’
Zij vertelde over het huizenblok in Amsterdam dat al meerdere keren geheel was geseald en gerentokild, maar waar de bedwantsen op bed bleven dansen. Een heel blok. Geterroriseerd door kleine, bruine beestjes. Ze keek me verschrikt aan.
Ineens besefte ik dat de heftige reacties van anderen niet zozeer gingen over mijn zijdelingse ervaring met de bedwants, maar over hun eigen angst dat de bedwants met zijn onzichtbaarheidsmanteltje aan in mijn broekspijp hun huis was binnengekomen, om daar de komende jaren het leven over te nemen.
Ik was, met mijn verhaal, ineens een mogelijke drager van de bedwants geworden, en ik zat nu in hun keuken te vertellen. Wat deed ik hier, dacht ik ze te zien denken. Dat is de kracht van de bedwants: door zijn naam te noemen word je al een paria. Het enige wat helpt is het gesprek snel op schurft brengen.
Source: Volkskrant