In het AD las ik over Merijn, een jongeman wiens ‘droom in duigen is gevallen’: hij is gezakt voor zijn eerste jaar aan de pabo. Hij maakte, ondanks twee herkansingen, te veel fouten in de taaltoets, en daarom moet hij nu stoppen met de opleiding. Lullig voor Merijn, die volgens eigen zeggen ‘supergemotiveerd’ is en het gevoel heeft dat hij ‘op één klein onderdeel wordt afgerekend’.
Ik werd nieuwsgierig naar die taaltoets, en vond er een online. Wat bleek? De (meerkeuze)vragen betroffen allemaal stof die je in mijn jeugd beheerste bij het verlaten van de ‘lagere school’ : werkwoordsvervoegingen, spelling van woorden als ‘onmiddellijk’, eenvoudige zinsontleding (zoals het maken van onderscheid tussen een lijdend en een meewerkend voorwerp) en het herkennen van onjuiste zinsconstructies in het genre ‘hier zet men koffie en over’.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
De huidige pabostudent mag van deze test 20 procent fout beantwoorden en is dan toch geslaagd. 20 procent! Dat hadden we indertijd, als 11-jarigen, niet hoeven wagen bij meester R. Met weemoed dacht ik aan hem terug, in driedelig grijs, met zijn immer brandende pijp.
Er doemde ook een beeld op van Loesje. Loesje was een ‘kwekeling’, een leerling aan de ‘kweekschool’, zoals de pabo toen heette. Wij hadden geregeld kwekelingen in de klas, die daar het onderwijzersvak in de praktijk leerden; ze zaten achterin mee te luisteren, en hielpen bij het nakijken van sommen en dictees.
Loesje was lief en mooi en ze rook heel lekker, als ze naast je hurkte om te helpen met een staartdeling. Ze droeg minirokken en hoge laarzen, ze had blond feeënhaar, ze praatte met een melodieuze stem en had eindeloos geduld. Iedereen hield van Loesje, al zag ik meester R. weleens gemoedelijk hoofdschuddend naar haar kijken.
Op een dag was Loesje verdwenen. ‘Loesje gaat trouwen’, verklaarde meester R. desgevraagd met een glimlach. ‘Loesje móét trouwen’, verduidelijkte mijn ruige klasgenoot Dirk in het speelkwartier. Hij lachte er gruizig bij, met zijn hese stem.
Ik begreep het niet. Trouwen was iets heel leuks, wist ik, dus hoe kon er sprake zijn van móéten? Het geroddel van de schoolpleinmoeders verhelderde niet veel. Ze ‘had hem erin geluisd’, was de consensus. Ze had wie? Gewat? Wáárin?
Een paar maanden later verscheen Loesje op het schoolplein met een wolk van een baby. Alle meisjes schaarden zich koerend om de kinderwagen. Loesje zelf was mager geworden, en de blik in haar zachte ogen vertoonde de eerste sporen van desillusie.
Ook háár droom was in duigen gevallen, maar ze kon tenminste wel spellen.
Source: Volkskrant