Home

Mijn slechtste kant kwam boven: alles beter willen weten. En God is mijn getuige, ik wéét ook alles beter

Bij een marktkraam proefde ik een kers: hij smaakte naar niets. De verkoopster zag mijn gezicht, verkondigde dat ze er ‘zelf ook niet kapot van was’ en begon een pleidooi voor haar meloenen. Die roken inderdaad heerlijk, naar zwoele rotting.

Naast mij stond een man, zo’n 35, met een zoontje van een jaar of zes. ‘Wat is dat, papa?’, vroeg het kind, wijzend. ‘Een perzik’, sprak de man. ‘Een nectarine’, verbeterde ik hem met een superieur glimlachje. Onze aanstaande ondergang kan ik niet tegenhouden, maar bij kleine misverstanden steek ik graag een handje toe. ‘kijk, dít is een perzik. Een nectarine heeft een gladde schil, een perzik een harige.’

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

‘En wat is dat, pap?’, vervolgde het ventje, en wees weer. ‘Een miniperzik, denk ik’, antwoordde de man flets, en keek me schuw aan; hij vóélde al dat hij ernaast zat. ‘Een abrikoos!’, riep ik triomfantelijk. ‘Kijk, en die daarnaast, dat zijn wilde perziken. Ze zijn niet echt wild hoor, maar....’

Ik leuterde voort. Mijn slechtste kant kwam boven: alles beter willen weten. En God is mijn getuige, ik wéét ook alles beter. Ik herken palmkool, Amsterdams vet, lamsoren, ik kan een eigenheimer van een frieslander onderscheiden, een vrouwtjeskrab van een mannetje en een longhaas van een bavette.

Ik weet wat een doerian is, een zuurzak, een kardoen, snijbiet, sopropo en okra, de pitaja en de carambola (door Surinamers Fransman-birambi genoemd, waarvoor hulde. À propos, ik zal bij een Surinaamse winkel nooit om bladselderij vragen maar altijd om ‘soepgroente’, want zo noemen ze het daar. Het komt me steevast op een lachje van de uitbater te staan; spottend of bewonderend, daar ben ik nog steeds niet uit.)

De kraam was ruim gesorteerd. ‘Kijk, en dit is een pomelo’, wees ik wijsneuzig. ‘En dat zijn ramboetans. Daar, een papaya.’ De man luisterde geïntimideerd. Leren ze dan tegenwoordig ook niets meer op school? In mijn tijd...

‘En wat is dát?’, vroeg het jongetje, nu niet aan zijn vader, maar aan mij. Hij wees op een bergje kleine, ronde, vruchten met een bruine, harde schil. Ik had ze nog nooit gezien. ‘O, dat zijn longans’, sprak de verkoopster behulpzaam. Ik knikte minzaam, of ik het al die tijd al geweten had. Longans, jazeker. Maar de man had me dóór.

Terwijl ik afdroop hoorde ik zijn lach nog tegen mijn rug schallen. Ach, wat was hij blij met zijn miezerige zege! Nou, dan moet hij zich die perziken maar voor nectarines laten verkopen. Zelf weten.

Zit hij met die harige vellen in zijn bek. Nét goed.

Source: Volkskrant

Previous

Next