Terwijl ik bepakt met alle kinderrugzakken ter wereld, een paar volle boodschappentassen, een kleed, nog een kleed en een parasol die die dag niet gebruikt zal worden, over een grindpad strompel, zwetend, achtervolgd door vier kinderen, op het heetst van de dag, nadat ik net, met voornoemde vier kinderen in de auto, verkeerd ben gereden, om uiteindelijk veel later dan gepland aan te komen bij een meertje waarvan de kwaliteit van het zwemwater twijfelachtig is en tussen honderden aanwezigen zoek naar mijn vrouw en de vijf kinderen die zij bij zich heeft, vraag ik me in stilte af wat ik in een vorig leven precies heb gedaan dat ik steeds maar in dit soort situaties terechtkom.
Lang kan ik niet over die vraag nadenken, omdat er negen kinderen, high van de dinosaurustaart, nauwlettend in de gaten gehouden moeten worden, opdat mijn vrouw en ik geen nalatigheid of onoplettendheid kan worden verweten als er een (of meerdere) niet (of niet helemaal) thuis komen.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Als ik over een brug naar een eilandje loop, steek ik zes vingers op naar mijn vrouw aan de andere kant van het water, ten teken dat ik er hier zes heb. Ze steekt drie vingers vingers op en daarna haar duim.
Het bezoek aan de zwemplas is de apotheose van een middag die begon met een patstelling. Wie mocht er voor in de auto naast mij? ‘Ik krijg hoofdpijn in de auto’, zei een jongetje, die daarna informeerde of mijn auto airco had. Dat heeft hij, als hij het zou doen. Een meisje zei dat ze snel wagenziek werd.
Wagenziekte werd een terugkerend thema. Niet in praktijk, maar toen er na de crackdinosaurustaart een nieuwe autoverdeling gemaakt moest worden, waren er opeens drie kinderen die zeiden last te hebben van wagenziekte. Dit was nadat een ander meisje had verzocht of we alsjeblieft niet Lang zal ze leven wilden zingen, want daar moest ze altijd van huilen.
Eenmaal bij de plas weigert hetzelfde meisje over een graspaadje te lopen. Even overweeg ik haar op te tillen, maar dan hoor ik mijn jongste dochter gillen. Midden in het water ligt een vlot met een groepje oudere kinderen. Ze trekken zichzelf via de ketting naar de kant. Op de oever maakt die ketting in een soort katrolsysteem een bocht en in dat katrolsysteem zit de hand vast van mijn dochter, die hem er zelf niet meer uit kreeg. Ik ben er net op tijd bij.
Wanneer een gedeelte van mijn kudde uitzinnig richting het water rent, volg ik in gepaste draf. Een blond jongetje van een jaar of 10 staat op het strandje en slaat het geheel met een nurks hoofd gade. ‘Is dit een feestje ofzo?’, hoor ik hem tegen zichzelf zeggen.
Ja, ik denk het.
Source: Volkskrant