Tot mijn verbazing en blijdschap stuitte ik op een heruitgave van Lachen is gezond. Het origineel stamt uit 1970 en lag in mijn jeugd op de salontafel. Het boek fascineerde me mateloos. Het omslag was hemelsblauw. Er stonden twee mannen op in poepbruine fantasiesmokings met glitter op de revers, vla-gele overhemden en glimmende kapsels. Ze hadden microfoons in hun hand en leken te zingen.
Als dergelijk uitgedoste mensen op de tv verschenen, staken mijn ouders (in aftands spijkergoed) hun walging niet onder stoelen of banken. Als kind zoek je de goedkeuring van je ouders, en dus zei ik tegen mijn vader, wijzend op dat boek: ‘wat een stomme kleren hebben ze aan!’ Mijn vader lachte. ‘Dat zijn Kees van Kooten en Wim de Bie. Die zijn heel grappig. Ze hebben zich expres zo stom aangekleed. Dat heet satire, maar daar ben je misschien nog een beetje te klein voor.’
Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.
Ergens te klein voor zijn wou er bij mij niet in, dus ik begon het boek uitgebreid te bestuderen. Als je 5 of 6 bent begrijp je écht niets van satire, maar dat boek liep niet weg, en toen ik een jaar of 10 was begon me hier en daar iets te dagen. Die korte verhaaltjes, bijvoorbeeld. ‘Treitertrends’ heetten ze. Ze verschenen in het weekblad Haagse Post en beschreven met dédain de moderne zeden van die tijd.
‘Het was zo’n verjaardag waarvan er tweeëndertig in een maand gaan. ’n Middelfijn augurkje in een reepje ham, twee volle flessen doodsbleke sherry en chips, chips en nog eens chips.’ Ook mijn ouders keken neer op dergelijke verjaardagen, dus dat was duidelijk.
Of dit: ‘In elk journaal zit een reportage over erwtensoep etende hoogwaardigheidsbekleders. Let maar eens goed op. Als het geen erwtensoep is, is het wel chocolademelk of hachee of ’n boerenkoolmaaltijd. Waarom doen die hoogwaardigheidsbekleders dat? Vinden ze dat lekker, die erwtensoep? Zo te zien wel: ze hebben de handschoenen er even bij uitgetrokken en over een boomtak gehangen (de soep werd te velde genuttigd) en ze kijken over hun bril olijk, maar ook weer niet té duidelijk in de richting van de camera en naar de commissaris der koningin in de provincie Drenthe die het zich warempel óók al goed laat smaken, die doodeenvoudige erwtensoep.’
Dit is, vijftig jaar na dato, nog steeds herkenbaar. Kees van Kooten (want die schreef het) noemde het Opzettelijk Gewoon Doen. Niet alleen moet ik daarbij denken aan types die Van Kooten en De Bie later op tv zouden neerzetten, ook veel huidige hoogwaardigheidsbekleders maken zich schuldig aan Opzettelijk Gewoon Doen.
Al vorsend begon ik in de loop der jaren steeds maar van dat raadselachtige, satirische allegaartje Lachen is gezond te doorgronden. Dat ‘Dagboek van een vogel’ bijvoorbeeld ging niet écht over een vogel, maar over de onbenullige belevenissen van een hippie. ‘Toen zijn we nog een uurtje alle lantaarnpalen afgegaan. Er zijn er maar een paar die zoemen, maar dat is een erg mooi magisch geluid. J. ontdekte op de hoek van de straat ’n transformatorhuisje dat heel hard bleek te zoemen. J. noemde dat huisje ‘De Moeder Der Lantaarnpalen’.’
Ook de twee ‘journalisten’, Harry F. Kriele en Bulle van Berkel, vielen op hun plaats met hun eeuwig tot mislukken gedoemde ‘projekten’, van lollige visitekaartjes tot een ‘bongo-worksjop’.
Van Kooten en De Bie waren indertijd nog nauwelijks bekend. Van het het boek werden dan ook maar 2.500 exemplaren gedrukt. Het exemplaar van mijn ouders is al tientallen jaren geleden teloorgegaan: nadat ik, als tiener, het huis uitging heb ik het nooit meer teruggezien.
Tot nu toe dus. Het is weer te koop. Een feest van herkenning en herinnering.
Source: Volkskrant