N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Opvoeding Ruim een kwart van de kinderen groeit op bij ouders met psychische problemen of een verslaving, meldt Trimbos.
Thom van den Brink werd toen hij een jaar of zeven was regelmatig door zijn moeder naar de snackbar gestuurd om avondeten te halen. Als hij moest afrekenen zei hij dat zijn moeder de volgende dag zou komen betalen, al wist hij dat ze dat niet zou doen. Al haar geld ging op aan drugs. Zijn zakgeld, de televisie in huis, zijn spelcomputer, alles ging op aan haar verslaving. Zijn vader, die in een andere stad woonde, wist lange tijd van niets. „Ik nam mijn moeder in bescherming en loog tegen hem”, zegt Van den Brink. „Als ik in het weekeinde bij hem ging logeren vertelde ik dat ik bloemkool, boerenkool en stamppot had gegeten en dat ik leuke dingen had gekocht van het zakgeld dat ik van hem kreeg.”
Nu is hij 34 jaar en deelt hij zijn verhaal met kinderen die in een soortgelijke situatie zitten. Kinderen van ouders met psychische problemen of een verslaving (KOPP/KOV). Hij wil ze laten weten dat ze niet de enigen zijn die dit meemaken, er is zelfs een afkorting voor hen bedacht.
Het Trimbos komt deze donderdag met een alarmerend cijfer naar buiten. Volgens het kennisinstituut voor mentale gezondheid en verslavingszorg zijn er in Nederland naar schatting 900.000 kinderen onder de achttien jaar voor wie de term KOPP/KOV van toepassing is. Dat is ruim een kwart (27,9 procent) van alle kinderen die thuiswonen.
Deze nieuwe cijfers zijn gebaseerd op gegevens uit onder meer NEMESIS-3, een langlopende landelijke studie naar de psychische gezondheid van volwassen Nederlanders. „Dat getal van 900.000 is geen telling maar een schatting”, zegt Anouk de Gee, projectleider KOPP/KOV bij Trimbos. „We denken dat het eerder een onderschatting is dan een overschatting van het aantal kinderen dat in deze situatie opgroeit. Want in NEMESIS-3 zijn niet alle categorieën uit de DSM-5, het internationale handboek voor de classificatie van psychische stoornissen, meegenomen. Wel stoornissen die relatief makkelijk te diagnosticeren zijn aan de hand van een vragenlijst, zoals stemmingsstoornissen, angststoornissen, ADHD en verslavingsstoornissen, maar bijvoorbeeld niet de persoonlijkheidsstoornissen, zoals borderline. En ook niet autisme, schizofrenie en eetstoornissen.”
Wat Trimbos zorgen baart: het aantal KOPP/KOV-kinderen is nu hoger dan bij een eerdere schatting, tien jaar geleden. Toen kwamen de onderzoekers uit op 577.000 kinderen.
Volgens De Gee kunnen de thuissituaties van deze groep kinderen ver uiteenlopen. „Je hebt gezinnen waarbij er enorm veel problematiek speelt, waarbij de ouder bijvoorbeeld wordt opgenomen voor behandeling. Er zijn ook ouders die wel psychische problemen hebben maar die daarnaast nog in staat zijn om te werken en het gezin redelijk te laten functioneren.”
Wat al deze kinderen gemeen hebben, is dat ze een groter risico lopen dan andere kinderen om later zélf psychische problemen of een verslaving te ontwikkelen, zegt De Gee. „Natuurlijk zijn er ook kinderen die er weinig negatieve gevolgen door ondervinden op de lange termijn. Je kunt van tevoren niet aanwijzen wie er later zelf psychische problematiek door ontwikkelt.”
Belangrijk is kinderen te leren dat zij het gedrag van ouders niet veroorzaken
Bij Thom van den Brink is hechtingsproblematiek vastgesteld. „Ik heb een jeugdtrauma, dat wil ik niet ontkennen. En daar heb ik soms last van in relaties met anderen. Het heeft te maken met mijn overlevingsmechanisme als kind om me sociaal wenselijk te gedragen. Maar mijn jeugd bepaalt niet mijn hele leven. Een slechte start hoeft niet per se een slecht einde te betekenen.” Dat is ook de boodschap die hij probeert over te brengen aan de kinderen aan met wie hij zijn verhaal deelt.
Trimbos wil graag dat er bredere bekendheid komt voor de term KOPP/KOV, die in het hulpverleningscircuit al decennia bestaat. De Gee: „Vaak komen mensen er pas op latere leeftijd achter dat er een term bestaat voor de situatie waarin zij zijn opgegroeid, en dat daar hulp voor te krijgen is. Er zijn in het hele land ondersteuningsgroepen voor verschillende leeftijdscategorieën, van kleine kinderen tot volwassenen. Die hulp bestaat vaak uit psycho-educatie, waarbij mensen leren waarom ze in bepaalde situaties op een bepaalde manier reageren.”
Wat volgens De Gee belangrijk is, is dat KOPP/KOV-kinderen gaan inzien dat het niet aan hen ligt dat hun vader of moeder soms ineens boos wordt of de hele dag op bed ligt. ‘Ontschuldigen’ noemt ze dat. „Kinderen hebben de neiging het op zichzelf te betrekken. Ze denken: ben ik niet lief genoeg geweest? Ze moeten leren dat de emoties en het gedrag van hun ouders niet veroorzaakt worden door hen.”
Als ouders hulp krijgen, betekent dat lang niet altijd dat er ook aandacht is voor de kinderen. De Gee: „Als de situatie in huis acuut onveilig is wordt vaak wel ingegrepen, maar er zijn ook situaties waarbij de kinderen buiten beeld blijven.” Zo kwam Thom van den Brink als klein jongetje wel in de afkickkliniek waar zijn moeder terechtkwam – hij sliep er zelfs – maar hij kreeg in die periode zelf geen hulp aangeboden. „Ik vond het er prettig”, herinnert hij zich. „Voor mij was dat toen een normale situatie.”
Pas toen zijn moeder werd mishandeld door haar toenmalige vriend en de politie met zwaailichten voor het huis stond, werd voor de buitenwereld duidelijk dat de situatie thuis niet veilig was. Zijn vader nam de opvoeding over. „Bij hem heb ik een hele fijne tijd gehad, hij is de beste vader van de wereld.” Met zijn moeder heeft hij inmiddels geen contact meer. „Zij leeft haar leven en ik het mijne.”
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC