Het is aankomende zaterdag weer raak op de Utrechtse baan, inmiddels de vaste hang-out van Extinction Rebellion. De organisatie heeft aangekondigd ditmaal niet meer te vertrekken; er zal gedemonstreerd worden tot de overheid alle subsidies aan de fossiele industrie afschaft. ‘Zolang het kabinet weigert te luisteren, zijn we gedwongen actie te voeren’, aldus een woordvoerder.
In Argentinië zijn er ook wegblokkades, daar bezetten inheemse gemeenschappen belangrijke handelswegen om in opstand te komen tegen de mijnbouw. Over het hoe en waarom van die mijnbouw publiceerde Trouw deze week een reportage. Wat blijkt: door onze klimaatdoelen is de vraag naar lithium flink gestegen – een metaal dat de EU heeft aangemerkt als kritieke grondstof voor de energietransitie. Zo schijnt een gemiddelde elektrische auto 8 kilo lithium nodig te hebben, in een Tesla Model S zit 12 kilo. Dat tikt wel aan. Europese politici en vertegenwoordigers van de auto-industrie reizen daarom graag af naar de regio om deals te sluiten met de Argentijnse overheid, die met een voortvarend tempo de mijnbouwindustrie aan het uitbreiden is. Economische groei blijft het summum.
De lithiummijnbouw heeft desastreuze gevolgen voor plaatselijke ecosystemen doordat die uitdrogen. Een milieu-advocaat wees er op hoe Latijns-Amerika als grondstoffenschuur wordt gebruikt zodat wij hier elke vijf jaar een nieuwe elektrische auto kunnen rijden.
Het stoppen van subsidies aan de fossiele industrie kan nog zo goed zijn voor het verlagen van de CO2-uitstoot, daarmee is het klimaat niet gered. Vervanging van fossiele brandstof door elektrische energie lijkt eerder een uitruil van problemen te zijn; elders in de wereld ontstaan er nieuwe klimaatproblemen. En wij hier maar trots duurzaamheid verkondigen.
Misschien moeten subsidies niet meer sturen op emissie, maar op consumentengedrag. Met uitzondering van kunst en antiek luidt de regel: hoe ouder de zaak, hoe minder waard deze is. Als je bijvoorbeeld een auto wilt inruilen voor een nieuw exemplaar, loont het daar niet te lang mee te wachten aangezien de inruilwaarde met de tijd daalt. Stel nu dat de auto-industrie wordt gesubsidieerd om de inruilwaarde om te draaien: hoe ouder de auto, hoe hoger de inruilwaarde. Dan loont het juist te wachten met een nieuwe aanschaf. Als de economische waarde stijgt, zullen we zuiniger met spullen omgaan, deze vaker repareren en bijgevolg minder nieuwe producten aanschaffen.
Het nadeel van verkiezingstijd is het moeten ondergaan van al die campagnes. Politieke partijen moeten zichzelf verkopen, de kiezer is consument en zijn gevoel het betaalmiddel. Daar tegenover staat het voordeel van verkiezingstijd: een frisse kans voor partijen om met elkaar te debatteren over nieuwe, effectieve maatregelen. Ten aanzien van het klimaatbeleid is het daarbij te hopen dat het debat verder zal gaan dan het getouwtrek over het tempo van de energietransitie. Nuttiger lijkt het een meer wezenlijke discussie te voeren over de vraag wat onze levensstijl inhoudt en welke gevolgen die heeft. Welke grondstoffen hebben we nodig, waar halen we die vandaan en tegen welke prijs? Zijn we bereid om meer vluchtelingen op te vangen wanneer leefgebieden door ons consumptiepatroon onbewoonbaar worden? Of beschouwen wie die mensen daarna als gelukszoekers die onze zuurverdiende welvaart komen opsnoepen?
Van alle uitdagingen die we het hoofd moeten bieden, is het gebrek aan realiteitszin over de gevolgen van onze keuzen misschien wel de grootste.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.