Exoten zijn planten en dieren die uit andere werelddelen komen en door de mens verspreid zijn. Het is een relatief begrip: de Japanse oester is in Zeeland en de Waddenzee een exoot, maar in de wateren rond Japan inheems. De platte oester is bij ons inheems en zou juist in de Grote Oceaan een exoot kunnen zijn.
Exoten worden pas een probleem als ze gaan woekeren. Bijvoorbeeld door een gebrek aan natuurlijke vijanden. Dan wordt gesproken van invasieve exoten. Die zijn schadelijk voor de natuur en bijvoorbeeld de visserij. Ook kunnen exoten plagen veroorzaken in de landbouw.
In Nederland zijn inmiddels maar liefst veertienhonderd exoten geteld. De mate waarin ze schadelijk zijn, verschilt van soort tot soort.
Het geschetter van halsbandparkieten is bijna niet meer weg te denken uit grote Nederlandse steden. Het geluid komt van ontsnapte of vrijgelaten kooivogels, die oorspronkelijk uit India afkomstig zijn. De parkieten concurreren in steden met andere vogels om nestholten in bomen.
Daar kunnen bijvoorbeeld spreeuwen en spechten de dupe van zijn. Toch vormen halsbandparkieten volgens de Vogelbescherming geen grote bedreiging voor de Nederlandse natuur. De parkieten overleven vooral doordat mensen ze voeren. Buiten door mensen bewoond gebied kunnen ze niet overleven.
Ook de opmars van de Aziatische hoornaar krijgt veel aandacht. Die is agressiever dan de inheemse hoornaar en valt bijvoorbeeld bijenkolonies aan. Maar stillere exoten kunnen in de praktijk een groter probleem voor de natuur vormen.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt een lijst met invasieve exoten bij. Die bevat soorten waar een officiële risico-inschatting voor is uitgevoerd. Vorig jaar zijn weer 22 soorten aan de lijst toegevoegd. De NVWA probeert erop toe te zien dat deze exoten, zoals de lastig te bestrijden Japanse duizendknoop, niet langer worden verhandeld.
Toch is dit maar een selectie. De grootste probleemplant voor de Nederlandse natuur staat er niet op. Dat is volgens bioloog en plantenkenner Wim Vuik de dijkviltbraam.
En een braamsoort uit de Kaukasus - niet te verwarren met de 220 inheemse braamsoorten van Nederland - overwoekert in rap tempo spoorwegtaluds, bermen en bosranden. Terwijl dat stroken zijn die ook van groot belang zijn voor inheemse struiken en bloeiende kruiden.
Het gespreide bedje voor deze exoot hangt samen met stikstofvervuiling: de dijkviltbraam is een van de weinige braamsoorten die houdt van een overvloed aan deze meststof.
"Wat ook niet helpt, is dat deze exoot nog gewoon wordt verkocht door tuincentra", zegt Vuik tegen NU.nl. Daar wordt de dijkviltbraam aangeprezen als 'Rubus fruticosa Himalaya'.
De dijkviltbraam valt nog te bestrijden als bijvoorbeeld ProRail en bermbeheerders de struiken gericht wegmaaien of uitsteken, denkt Vuik. Dat wordt een stuk lastiger naarmate exoten kleiner worden, zoals de watercrassula.
Dit vetplantje kan in en rond water leven en is oorspronkelijk afkomstig uit Australië. Vermoedelijk is het door vijverliefhebbers naar Europa gehaald.
In de Nederlandse natuur kent watercrassula geen natuurlijke vijanden, waardoor het plantje in korte tijd duinvalleien, blauwgraslanden en vennen kan laten dichtgroeien. Dat zijn juist gebieden die zeer belangrijk zijn voor de Nederlandse biodiversiteit: van libellen en vlinders tot orchideeën.
Handmatig verwijderen is bij de watercrassula bijna niet te doen. Maar ook hier is de stikstofkraan vermoedelijk een sleutel. Waar het lukt het stikstofgehalte te verlagen, neemt de woekerkracht van de Australische exoot af.
Bestrijding wordt nóg lastiger als exoten microscopisch klein zijn. Een voorbeeld is Hymenoscyphus fraxineus of vals essenvlieskelkje. Inheemse essen, een belangrijke boom in Nederlandse bossen, vallen massaal ten prooi aan deze Oost-Aziatische schimmel. Na een aftakelingsproces van jaren sterven de bomen af.
Ook de sterk bedreigde vuursalamander valt in Nederland ten prooi aan een exotische schimmel: Batrachochytrium salamandrivorans. Deze schimmel is meegelift met geïmporteerde Aziatische salamandersoorten. Inheemse vuursalamanders sterven binnen twee weken na besmetting.
Naast het afgrendelen van poelen, beken en natuurgebieden valt er weinig aan te doen. De voornaamste hoop is dat enkele essen en vuursalamanders minder bevattelijk zijn, wél weten te overleven en hun immuniteit doorgeven aan het nageslacht.
Het kan duizenden jaren duren voor zulke nieuwe evenwichten ontstaan. Tot die tijd is het vooral zaak de toestroom van nog weer nieuwe exoten zo veel mogelijk af te remmen.
Log in of registreer gratis op NU.nl en krijg toegang tot extra artikelen
Source: Nu.nl economisch