Home

Opinie: Het betogingsrecht is geen gunst, maar een mensenrecht

Op 7 september vindt in de Tweede Kamer een rondetafelgesprek plaats over het demonstratierecht. Daarbij verdient dringend aandacht dat in ons land demonstranten in toenemende mate voor de strafrechter moeten verschijnen. Als het gaat om stenen gooien naar de politie of het plunderen van winkels is dat niet verrassend: met vreedzaam demonstreren heeft zulk gedrag niets van doen.

Zorgelijk wordt het wanneer geweldloze burgers strafrechtelijk worden vervolgd terwijl zij vreedzaam demonstreren. Ook als demonstranten daarbij bewust de grenzen van de wet opzoeken of overschrijden, dwingt het internationale recht tot een zeer terughoudend vervolgingsbeleid. Maar dat laatste is niet de praktijk in Nederland.

Over de auteur
Willem Jebbink en Jaantje Kramer zijn strafrechtadvocaten. Ze verdedigen onder meer demonstranten van Extinction Rebellion.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

De overheid is volgens internationale mensenrechtenverdragen verplicht het demonstratierecht te beschermen. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gaat het om een van de fundamenten van een democratische samenleving. Het betogingsrecht is geen gunst, maar een mensenrecht dat iedere burger in beginsel vrij mag uitoefenen: hoe, waarover, wanneer en waar dan ook. Dus: demonstreren mag, tenzij.

Het EHRM en het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties verlangen dat de overheid zich bij demonstraties zo afzijdig mogelijk houdt. Maar de overheid heeft wel, waar nodig, een ‘positieve verplichting’ om het demonstratierecht te faciliteren. Bijvoorbeeld door genoeg politie in te zetten als er risico bestaat dat een demonstratie wordt belaagd door vijandig publiek. Of door het verkeer te regelen wanneer een protestmars op de openbare weg wordt gehouden.

Demonstratievrijheid is echter ook niet onbeperkt. Uitgangspunt is dat een demonstratie van tevoren bij de gemeente wordt aangemeld hoewel ook een zogeheten ‘spontane’ (niet-aangemelde) demonstratie zoveel mogelijk doorgang moet kunnen vinden. De burgemeester kan aanwijzingen geven die kunnen leiden tot ontbinding als deze niet worden opgevolgd. Dat is geregeld in de Wet openbare manifestaties.

Deze wet bevat ook een strafbepaling, waardoor in het uiterste geval een demonstrant die aanwijzingen niet opvolgt door de politie kan worden gearresteerd. Daarvoor kan een straf, gewoonlijk een geldboete, worden opgelegd. Het gaat dan om een overtreding: een licht vergrijp dat voor een strafblad niet snel van betekenis is.

Wat ons betreft gaat het dan ook mis wanneer demonstranten niet voor overtredingen, maar voor misdrijven worden aangehouden en vervolgd. Denk aan milieuactivisten die een gebouw van een in fossiele industrie investerende pensioenverzekeraar bezetten (vervolgd voor lokaalvredebreuk), Museumplein-demonstranten die weigeren hun protest tegen coronamaatregelen te beëindigen (vervolgd voor het niet opvolgen van een ambtelijk bevel) of een demonstrant die tijdens een pro-Koerdische demonstratie een ‘rookflare’ ontsteekt (vervolgd voor ontbranding van verboden vuurwerk).

Naar de letter van de wet is in al deze gevallen weliswaar een misdrijf gepleegd, maar het EHRM eist dat het overheidsoptreden tegen demonstranten binnen de perken moeten blijven. Zowel voor, tijdens als na een demonstratie.

Het gevolg hiervan is dat wanneer de overheid te hard uithaalt, een demonstrant wordt ontmoedigd tot deelname aan het publieke debat. En dat is precies wat in een gezonde democratie moet worden voorkomen. Een strafblad kan immers grote gevolgen hebben bij het vinden of continueren van een baan of het afsluiten van een verzekering.

Het EHRM staat daarom zeer kritisch tegenover inzet van het strafrecht. Zo is de arrestatie van Turkse studenten in Istanboel met een daaraan gekoppeld verblijf in het politiebureau door dit hof ‘een draconische maatregel tegen vreedzame demonstranten’ genoemd, ook al verstoorden zij met tientallen een openingsceremonie in een universiteit.

Gematigdheid is ook vereist omdat vrijwel elke demonstratie het dagelijks leven min of meer ontwricht: er worden ongemakkelijke meningen verkondigd, het verkeer wordt gehinderd of economische activiteiten worden geblokkeerd. Dat doet echter niets af aan de bescherming die demonstranten verdienen, zeggen internationale instanties, zeggen het EHRM en het VN Mensenrechtencomité.

In Nederland is er inmiddels sprake van een tendens van buitenproportionele inzet van het strafrecht. Want waarom konden de eerder genoemde Museumplein-demonstranten niet wegens overtreding van de Wet openbare manifestaties worden gearresteerd, maar moest ze een strafblad wegens een misdrijf worden aangewreven? Waarom moest Willem Engel worden veroordeeld wegens een oproep tot demonstreren, nadat de burgemeester die demonstratie had verboden? De Wet openbare manifestaties biedt per slot van rekening een toereikend reactiearsenaal om een onrechtmatige demonstratie aan te pakken.

Ook de vervolging en bestraffing van klimaatactivisten wegens het voorbereiden van en het oproepen tot een blokkade van de A12 mag excessief worden genoemd. Wegblokkades worden namelijk internationaal als demonstratievorm erkend, tot aan het Hof van Justitie van de EU toe. Het EHRM erkent ook dat een verplichting om blokkadeacties bij de gemeente aan te melden schuurt met de legitieme doelen van demonstranten: het vestigen van zoveel mogelijk aandacht op hun actie.

Nederland slaat met zijn harde aanpak internationaal dus een bedenkelijk figuur. Bijvoorbeeld door de verplichting om betogingen te faciliteren bewust te negeren, terwijl je een weg ook tijdig kunt afzetten bij een wegblokkade. Of door het aanpakken van betogers met strafbepalingen die gewoonlijk tegen criminele organisaties worden gebruikt: het strafbaar stellen van het voorbereiden van misdrijven werd namelijk in de wet opgenomen met het oog op de bestrijding van zware georganiseerde criminaliteit.

Kortom, het OM verliest uit het oog dat het om vreedzame demonstranten gaat. En die behoren zo min mogelijk te worden gecriminaliseerd. Het is dus des te meer alarmerend wanneer demonstranten al van hun bed worden gelicht voordat hun demonstratie is begonnen, zoals dat het geval was bij de vervolging van activisten die opriepen om mee te doen met de A12-blokkade. Deze wijze van preventief oppakken kent in Europa zijn weerga niet: er is geen enkele uitspraak van het EHRM die zo’n praktijk rechtvaardigt.

De Nederlandse rechtspraak is ondertussen te weinig toegerust op adequate rechtsbescherming van demonstranten. Terwijl het EHRM soms alleen al de vervolging van een demonstrant (dus ongeacht de uitkomst daarvan) in strijd met de mensenrechtelijke vrijheden oordeelt, keurt de Hoge Raad het vonnis vrijwel altijd af als de rechter vervolging door het OM niet-ontvankelijk verklaart, bijvoorbeeld omdat de beslissing om een demonstrant te vervolgen disproportioneel is.

Maar het is toch echt het OM dat op verkeerde gronden (lees: in strijd met fundamentele mensenrechten) tot vervolging overging. Het gevolg is dat de rechterlijke macht wordt opgezadeld met zaken waarin soms tientallen demonstranten tegelijk of los van elkaar moeten worden berecht.

Bovendien lijken rechters soms weinig ingevoerd in de bijzonderheden van het demonstratierecht. Dat is niet zo vreemd: het gaat om een complex rechtsgebied, voor de gemiddelde strafrechter bepaald geen alledaagse kost, met als bijzonder kenmerk dat een strafrechtelijke maatregel die volgens de standaardrechtspraak volkomen legitiem is, in het licht van de demonstratievrijheid disproportioneel kan zijn. Een vonnis zal in lijn moeten zijn met de overvloed aan internationale rechtspraak op dit gebied, maar ook met visies van internationale organisaties, zoals de Venetië-commissie en de Speciaal Rapporteur van de VN.

Mechanische toepassing van het strafrecht (‘regels zijn regels’) en een beperkte blik op het internationale recht, zoals nu soms het geval is, miskennen de grondrechtenbescherming en zetten de vrijheid van betoging en meningsuiting alleen maar verder onder druk.

Dat baart grote zorgen: de onafhankelijke rechtbank is per slot van rekening de instantie bij uitstek Source: Volkskrant

Previous

Next