Home

Trauma’s, triggers en toxische sfeer: therapeutentaal is in ons dagelijkse gesprek beland. Wat vinden experts daarvan?

Hoe herken je een narcist? Hier zijn vijf punten die erop wijzen dat je partner een narcist is. Ze gaslighten je, bijvoorbeeld – hier is trouwens een filmpje met vijf signalen dat je gegaslight wordt. Of heb je een onverwerkt trauma? Subtiele tekenen daarvan zijn: flashbacks. Veel sorry zeggen. Gevoeligheid voor geluiden. Wacht eens even … ben jij misschien ambivalent gehecht? Als je een tijdje scrolt op TikTok onder hashtags als #mentalhealth, word je niet alleen verleid na te denken over je geesteswereld – je krijgt ook van alle kanten begrippen aangereikt om te beschrijven hoe die in elkaar steekt.

Het is niet alleen de wat jongere TikTok-gebruiker die een vuistdik therapeutisch woordenboek bij de hand lijkt te hebben. Ook de gemiddelde B&B-houder is de taal der therapeuten meester: in het tv-programma B&B Vol Liefde bijvoorbeeld, overschreden de potentiële liefdes van B&B-houder Astrid al snel ‘haar grenzen’. Als de vonk niet overspringt, veronderstellen de deelnemers een ‘muurtje rondom het gevoelsleven’ bij de ander – het is minder voor de hand liggend te concluderen dat er gewoon geen chemie is, of nog erger: dat die ander niets in jóú ziet.

Over de auteur
Emma Curvers is mediaverslaggever en columnist bij de Volkskrant. Zij schrijft met name over internetcultuur, sociale media, emancipatie en sociale ongelijkheid.

Ook taalkundige Vivien Waszink ziet dat in alledaagse taal, vooral onder twintigers en dertigers, steeds meer wordt gesproken van ‘trauma’s’, ‘triggers’, ‘red flags’, een ‘toxische’ of ‘onveilige’ sfeer, ‘gaslighting’, of mensen die ergens ‘geen ruimte voor hebben’. ‘Er is een groeiende behoefte om gedrag dat als afwijkend of negatief wordt gezien te benoemen en daar sterke bewoordingen voor te gebruiken’, zegt Waszink. Ook diagnosen als posttraumatische stressstoornis (ptss), ‘adhd’er’ en ‘autist’ denderen de taal binnen. ‘Lul’ of ‘eikel’ lijkt plaats te maken voor een term als ‘narcist’. Zo werd Frans Timmermans na zijn kandidaatstelling als lijsttrekker voor GroenLinks-PvdA door Fidan Ekiz in SBS 6-talkshow De Oranjezomer een ‘ijdele narcist’ genoemd.

Deze zomer diende zich ineens een concreet geval aan dat liet zien waar therapietaal misschien wel té populair was geworden. In juli maakte Sarah Brady, de ex van de Amerikaanse acteur Jonah Hill (Moneyball, The Wolf of Wallstreet), enkele appjes van hem wereldkundig. Daarin stelde Hill allerlei ‘grenzen’ in zijn relatie met Brady, die surfer is van beroep, zoals: geen bikinifoto’s posten of surfen met mannen. Brady noemde Hill bij het publiek maken van dit alles een ‘misogyne narcist’. Er volgde een golf opiniestukken waarin Hill ervan werd beschuldigd therapietaal te misbruiken om dwingelandij te vermommen. ‘Hill omschreef zijn voorwaarden als ‘grenzen’, maar hij had net zo goed ‘voorschriften’ kunnen zeggen’, schreef Holly Thomas op CNN. ‘Veel van deze termen komen niet eens echt uit therapie’, schreef Daisy Jones in The Guardian.

Therapietaal maakt jongere generaties egoïstischer, schreef vrouwenmagazine Bustle, en eenzamer, zei psychotherapeut Esther Perel, en minder empathisch, volgens de Amerikaanse zender NPR.

Is dat zo? Af te lezen aan de ergernis die woorden als ‘trauma’ of ‘trigger’ opwekken, leeft kennelijk breed het idee dat therapietaal wordt gebruikt om ervaringen te dramatiseren. Dat die taal niet écht de werkelijkheid omschrijft, maar juist ervan afleidt. Tegelijk is er niets zo voorspelbaar als het afserveren van het taalgebruik van (met name) jonge mensen. Er is ook behoefte aan deze begrippen. Taal om aan te geven dat gedrag niet door de beugel kan (toxisch) en dat je dat niet pikt (grenzen), kan van essentieel belang zijn, weten we post-#MeToo. En ‘grenzen stellen’ kan onmisbaar zijn voor mensen met adhd en autisme, die overweldigd kunnen raken door een overvloed aan (ook modieus) prikkels. Vandaar dat we een psychotherapeut, een psycholoog, een psychiater en een taalkundige vroegen: wat levert dit nieuwe lexicon ons op? Wat gebeurt er met het begrip van ‘trauma’ en ‘depressie’, als zulke termen populariseren? Waar komt de vertherapeutisering van alledaagse taalgebruik vandaan en wat doet dat met onze blik op de wereld?

Ooit was therapie een schaamtevolle toestand. Gewone stervelingen veinsden er op het werk een tandartsafspraak voor en spraken er hooguit over met intimi. In pakweg de afgelopen tien jaar, zegt psychotherapeut Majorie Dijkstal, is therapie doodgewoon onderhoudswerk geworden: ‘We geloven nu meer dat iedereen zo gelukkig mogelijk moet leven en dat therapie daarbij hoort.’ Ervaring met therapie wijst op een soort emotionele geletterdheid. En die laten mensen graag blijken in hun taalgebruik.

‘De popularisering van psychische classificaties voert terug tot 1980’, zegt psycholoog Laura Batstra, hoogleraar bij de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Toen verscheen de derde versie van het handboek DSM: ‘Dat boek beschreef stoornissen voor het eerst aan de hand van concrete gedragingen en emoties, de criteria voor een diagnostische classificatie. In die criteria konden ook leken zichzelf goed herkennen, waardoor zij het DSM ook raadpleegden en allerlei termen eruit populairder maakten.’

Alle experts noemen sociale media als katalysator voor de verspreiding van therapeutisch taalgebruik. Op TikTok en Instagram bijvoorbeeld worden grapjes gemaakt over stoornis-specifieke strubbelingen en wordt het vaststellen van stoornissen teruggebracht tot afvinklijstjes met symptomen. ‘Dat maakt het ook weer makkelijker om een ander te categoriseren onder een label als narcist’, zegt Dijkstal. ‘Wat ook bijdroeg, was het grote aantal populair-psychologische boeken en zelfhulpboeken dat verscheen, zoals De fontein van Els van Steijn, of Een spiegel voor narcisten van Martin Appelo, en dramaseries zoals In Therapie.’

Taalkundige Waszink denkt daarnaast dat de #MeToo-beweging het gebruik van woorden als ‘onveilig’, ‘toxisch’ en ‘grenzen’ extra aanzwengelde. ‘Daardoor werden mensen mondiger en dat is natuurlijk goed. Dat er dan woorden als ‘grenzen’ worden gebruikt, is niet gek’, zegt Waszink. ‘Als je wilt vertellen dat jou ook iets is overkomen, is het soms makkelijker te zeggen dat iemand jouw grens heeft overschreden, dan te vertellen wat er precies is gebeurd.’

De grotere bekendheid van stoornissen en psychologische termen heeft veel goede effecten gehad, zegt psychotherapeut Dijkstal: ‘Als mensen zich slecht voelen, raken ze op sociale media soms bekend met begrippen als ‘onveilige hechting’ – als kinderen in hun jeugd te weinig erkenning en waardering van hun opvoeders hebben gehad waardoor ze later moeite hebben met intimiteit. Je kunt er mensen vinden die precies meemaken wat jij meemaakt. Dat kan zó’n opluchting zijn. Mensen kunnen aan het denken worden gezet en gericht hulp gaan zoeken.’

Daarover: steeds meer mensen zoeken die hulp. Volgens het Trimbos-instituut had in 2021 26 procent van de volwassenen een psychische stoornis, tegenover 17 procent in 2008. Met name jongeren hebben het zwaar: in de leeftijdsgroep van 18-34 jaar steeg het percentage in de afgelopen 15 jaar van 22 naar 36 procent. Dat komt, zegt hoogleraar psychiatrie Jim van Os van de Universiteit Utrecht, deels door toegenomen bekendheid met diagnosen, door steeds ruimere definities van de diagnosen zelf, en door verslechterende maatschappelijke omstandigheden. Maar ook omdat mensen sneller denken dat er iets mis met hen moet zijn als ze ánders zijn. Van Os vindt het mooi dat we meer woorden hebben om onze gevoelswereld te beschrijven: ‘Mensen beginnen die wereld nu te ontdekken en het is in principe goed dat ze woorden vinden om daarover te praten.’

Toch is hij zeer kritisch op de veralgemenisering van de taal uit therapie. ‘De psychologie is net als de psychiatrie een primitieve wetenschap’, zegt Van Os, ‘die vol zit van veronderstellingen over hoe mentale ruimte in elkaar zit. Hoe wij de psyche zien, is meer gestoeld op cultuur dan op wetenschap.’ Volgens Van Os wordt de taal uit therapie gebruikt alsof we nu wéten hoe onze binnenwereld eruitziet. ‘Door die taal te gebruiken, kijken we te veel naar onszelf en anderen met de kaders van een zoekende wetenschap.’

Zo vindt hij het schadelijk dat er nu zo veel nadruk ligt op stoornissen in de taal. ‘We weten allang dat mensen zich nooit zo gedragen als de criteria van stoornissen in het DSM omschrijven: ieder mens is anders, en mensen passen helemaal niet in de hokjes van het DSM.’ Therapeutische taal moedigt aan dat we in stoornissen denken, meent Van Os, wat normale mentale variaties minder normaal maakt. Dat kan leiden tot medicalisering: want als je eenmaal een stoornis hebt, hoort daar een behandeling of medicatie bij.

Ook Batstra vindt het zorgelijk dat er zo veel nadruk ligt op (zelf)diagnoses. ‘De meeste criteria die op sociale media worden genoemd komen veel voor, maar hoeven niet zo problematisch te zijn dat je van een stoornis spreekt.’ Sociale media dragen er volgens Batstra aan bij dat termen als autisme, adhd, depressie en narcisme zo breed worden gebruikt dat ze steeds minder zeggen. ‘Dat geldt trouwens in mijn optiek niet alleen voor burgers, maar zeker ook voor de ggz. Er is weinig terughoudendheid met het uitdelen van diagnostische classificaties, waardoor ze hun lad Source: Volkskrant

Previous

Next