Dames en heren,
In januari was het 30 jaar geleden dat J.L. Heldring een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam kreeg uitgereikt. Dat deed stof opwaaien. J.L Heldring was al decennialang één van de best gelezen columnisten van ons land, maar hij was ook een uitgesproken conservatief. Volgens de studentenfracties in de universiteitsraad was het zelfs erger: ‘rechts’ en ‘nationalistisch’, en in 1993 waren dat ongeveer de zwaarste verwijten.
Bij de aanvaarding van het eredoctoraat zei Heldring het mooi te vinden dat hij als ‘rechtse bal’ juist door de UvA zo werd geëerd. Want zei hij, er zijn belangrijke overeenkomsten tussen journalistiek en wetenschap, namelijk nieuwsgierigheid, aangeboren twijfel en de noodzakelijkheid van openbaarheid.
Toen ik een paar weken geleden de schrijver Adriaan van Dis beluisterde bij Buitenhof vroeg ik me af of Heldring nu nog welkom zou zijn aan deze prachtige universiteit. Adriaan van Dis zei het volgende: ‘De wereld is geen safe space, en de universiteit is ook geen safe space. Laten we het noemen een plaats van ongemak (…) omarm het ongemak, (…) plooi je voor het ongemak.’
Over de auteur
Femke Halsema is burgemeester van Amsterdam. Dit is de toespraak van burgemeester Halsema bij de opening van het academisch jaar op 4 september 2023. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
In deze openingsrede wil ik het met u hebben over de verhouding tussen de universiteit en de wereld en eindig ik met een simpele oproep, en dat is de volgende: ik hoop de komende jaren academici overal de wereld te horen bespreken, en ik hoop dat de wereld ongemak naar het hart van de universiteit brengt. Maar voor ik zover ben wil ik eerst een stap opzij doen en wat zeggen over de huidige staat van het publieke debat.
Niemand heeft die vrij miserabele staat – wat mij betreft - zo treffend omschreven als de door mij zeer geliefde Australische komiek Tim Minchin. Bij de aanvaarding van een doctoraat van The University of Western Australia verwoordde hij het als volgt: ‘Most of society is kept alive by a failure to acknowledge nuance. We tend to generate false dichotomies and then try to argue one point using two entirely different sets of assumptions. Like two tennis players trying to win a match by hitting beautifully executed shots from either end of separate tennis courts.’
Er zijn vele redenen aan te wijzen voor ons collectieve onvermogen om met elkaar betekenisvolle gesprekken en debatten te voeren over de grote vraagstukken van deze tijd: over klimaatverandering, oorlog, migratie, de grote tekortkomingen van de moderne verzorgingsstaat, het gebrekkige vertrouwen in democratisch en rechtstatelijk bestuur enzovoort.
Ten eerste is er het cliché (maar daarom niet minder waar) dat niet de mensen met de meeste kennis of de helderste inzichten het publieke en politieke debat domineren, maar de schreeuwers, de brutalen: diegenen die dag in dag uit in de klassieke en sociale media een bal hard op een leeg tennisveld slaan en daarmee voor ophef, kijkcijfers en rumoer zorgen. Wij lijken met zijn allen te lijden aan een verslaving aan ruzie, aan platte en vaak irreële tegenstellingen die vooruitgang in onze samenleving danig in de weg zitten.
Als tweede helpt de identiteitspolitieke wending die het debat heeft genomen niet. Laat ik er geen misverstand over bestaan: ik beschouw identiteitspolitiek als een noodzakelijke fase voor elke emancipatiebeweging. De vrouwenbeweging, de zwarte burgerrechtenbeweging of de lhbtiq+ beweging gebruiken identiteitspolitieke argumenten uit noodzaak. Hun wezen, hun identiteit wordt niet erkend maar vernederd: hun vrijheid en hun waardigheid zijn gestoeld op de erkenning van identiteit en de strijd die zij voeren voor volwaardig burgerschap verdient alle steun. Maar het doel ervan moet altijd zijn dat er, zoals de schrijver Ta-Nehisi Coates het ooit beschreef, een politieke gemeenschap ontstaat waarin identiteit er niet meer toe doet omdat iedereen een gelijkwaardige positie inneemt.
In plaats daarvan nemen etiketten in toenemende mate de plek in van inhoudelijke uitwisseling. Op sociale media lees ik heel vaak dat ik iets vind omdat ik een vrouw zou zijn, een communist of nog erger, een Amsterdammer. Vaak is het een eenvoudige populistische truc die vooral onder extremisten en trollen populair is. Alleen kan het antwoord niet liggen in een wedren van gekwetste identiteiten: uiteindelijk is het grote belang van de gelijkberechtiging van alle minderheden ook meer gediend met feiten, kennis. En die zijn er meer dan genoeg.
Daarbij is echter heel problematisch, als derde, dat kennis en feiten in het publieke debat in toenemende mate worden gedevalueerd tot meningen. Of om een bekende extreemrechtse politicus te citeren: ‘mijn meningen zijn feiten’. Nepnieuws en de constante verdraaiing van cijfers en statistieken ontnemen ons het zicht op wat er werkelijk om ons heen gaande is. ‘Alternative facts’, zoals een adviseur van Trump dit noemde, worden dikwijls bedacht uit – ronduit – politieke kwaadaardigheid of politiek opportunisme, ze kunnen een product zijn van macaber complotdenken, maar veel vaker komen ze voort uit diepe angst en wantrouwen jegens het handelen van het bestuurlijke establishment.
En datzelfde establishment geeft daar ook aanleiding toe. Bijvoorbeeld tijdens de coronacrisis zijn epidemiologische gegevens door bestuurders en beleidsmakers gebruikt om de avondklok te rechtvaardigen en maandenlang te handhaven. Dit is buitengewoon discutabel, aangezien er geen enkele informatie beschikbaar was over het effect van een avondklok op het gedrag van mensen. Mijn eigen kinderen besloten daardoor bijvoorbeeld vaker vroeg naar hun vrienden te gaan om daar te blijven slapen en zo de avondklok te omzeilen (en zo waren er velen): dat kan niet de bedoeling zijn geweest.
Maar erger, door de schijn van objectiviteit die de verregaande vrijheidsbeperking van de avondklok omgaf, werden heel valide rechtsstatelijke en ethische bezwaren buiten de discussie geplaatst en werden tegenstanders van de maatregel gediskwalificeerd als ontkenners van de ernst van het probleem. Het is niet gek dat dit tot groot wantrouwen leidt.
Alternatieve feiten en het dedain voor experts zijn niet uit de lucht komen vallen. We zagen jaren-, misschien wel decennialang technocratisch bestuur dat vaak een beroep op ‘de feiten’ en ‘de statistiek’ deed om zo de onvermijdelijkheid van het gevoerde beleid aan te tonen. Daarbij werden ze geholpen door commerciële consultancyfirma’s, door Mariana Mazzucato terecht beschreven als een ‘industrie', die overheden maar al te graag bedienden met cijfers en analyses die over een al ingezette beleidskoers een zogenaamd objectief en noodzakelijk sausje legden. Mensen werden daarmee cijfers en statistieken, alledaagse maar vaak grote problemen werden teruggebracht tot beleidsdoelen, doelenbomen, targets voor beleid.
Pieter Omtzigt zei het twee jaar geleden als volgt, ik citeer: ‘(...) daarom krijgt het terugdringen van de armoedecijfers voorrang boven het terugdringen van de armoede, wint het halen van de klimaatdoelen het van een werkelijke bijdrage leveren aan het klimaat en richt ons overheidsbeleid zich op het verbeteren van de koopkrachtplaatjes meer dan het verbeteren van de werkelijke koopkracht'.
Laat ik het nog bondiger en provocerender zeggen, zielloze technocratie heeft een monster gebaard en dat heet ‘alternative facts’. En dat mag het bestuurlijke establishment – en voor de duidelijkheid daartoe reken ik ook mezelf – zich aantrekken.
Ik wil hiermee terugkeren naar u, gewaardeerd academisch publiek.
Ik kan me voorstellen dat u zich na deze inleiding afvraagt: wat betekent dit voor ons? Of: in dit publieke debat is toch geen rol voor ons weggelegd. Of zelfs: laat ons met rust!
En natuurlijk begrijp ik heel erg goed dat bij de valse aantijgingen en polarisatie die ook wetenschappers van deze universiteit het afgelopen jaar raakten, bij de bedreigingen en de intimidatie van wetenschappers met een groot publiek profiel zoals Marion Koopmans en Marc van Ramst de animo om naar buiten te treden niet groot is.
Toch doe ik een beroep op u, omdat we niet zonder u kunnen.
Ik citeer nog een keer de komiek Minchin: ‘Science is not a body of knowledge nor a belief system, it’s just a term which describes human kinds’ incremental acquisition of understanding through observation. Science is awesome!’
Wetenschap is in inderdaad geweldig en de wetenschappelijke methode is ook buiten de muren van universiteiten onmisbaar.
Het gaat – om met de rechtse bal Heldring te spreken – om nieuwsgierigheid, twijfel en openbaarheid. Waarheid of inzicht en begrip van ingewikkelde problemen ontstaat namelijk nooit in isolement, in de eigen bubbel, of achter de veilige muren van de academia. Het ontstaat ook uit het omarmen van ongemak, zoals Van Dis dat noemt, uit het toetsen van elkaars stellingnames, elkaars onderzoek – ook als het onwelgevallig is of zich niet lijkt te verdragen met de heersende consensus of de overeenstemming in een groep van gelijken.
In 2021 bleek uit een enquête van ScienceGuide dat veel onderzoekers ook zeer terughoudend zijn om zich in het publieke debat te mengen uit vrees voor negatieve reacties van collega’s en leidinggevenden. Wetenschappers, zoals u beter weet dan ik, baseren hun Source: Volkskrant