Home

Energiesubsidies voor grote bedrijven zijn niet te verdedigen

Het afschaffen van fossiele subsidies voor grote, energie-intensieve, bedrijven is niet eenvoudig, maar wel noodzakelijk.

Wie denkt dat Nederland een progressief belastingstelsel heeft, heeft de tarieven voor de energiebelasting nog nooit gezien. Die zijn regressief: de breedste schouders dragen niet de zwaarste, maar de lichtste lasten. Hoe meer gas of elektriciteit je gebruikt, hoe minder belasting je over elke kubieke meter of kilowattuur betaalt. Grootverbruikers worden flink bevoordeeld.

Deze fiscale korting is de grootste van de 31 fossiele subsidieregelingen die zijn geïdentificeerd door Somo, de stichting die onderzoek doet naar multinationals en de mazen van de wet die voor hen gemaakt zijn. In totaal leveren die regelingen het bedrijfsleven jaarlijks 37,5 miljard euro voordeel op, bleek uit hun maandag gepubliceerde onderzoek. Dat is ruim 2.000 euro per Nederlander.

Onder de regelingen bevinden zich de andere ‘usual suspects’, zoals de belastingvrije brandstoffen voor luchtvaart en scheepvaart. Ook energiecentrales, kunstmestfabrieken, raffinaderijen en de glastuinbouw pakken ieder een miljardje of twee mee. Die subsidies zijn stuk voor stuk bekend, maar waren niet eerder zo nauwkeurig en volledig opgeteld.

En daar rolt dus zo’n verbijsterend bedrag uit.

De regelingen bestaan al zo lang dat ze normaal worden bevonden, maar zijn eigenlijk nooit te verdedigen geweest. Neem de regressieve energiebelasting (gemiddeld 13 miljard euro subsidie per jaar): waarom wordt een kleine particulier via deze prijsprikkel wel gestimuleerd zuiniger aan te doen, maar een grootverbruiker, die veel grotere slagen kan maken, nauwelijks? Hoe kun je zo’n heffing ‘milieubelasting’ noemen als de grootste vervuilers er grotendeels van worden gevrijwaard?

De ongelijke behandeling treft niet alleen particulieren, maar ook kleine bedrijven. Want waarom moet de bakker om de hoek per brood meer energiebelasting betalen dan de bakkerij van Albert Heijn?

Die vraag werd al in 2008 tijdens een rondetafeloverleg in de Tweede Kamer gesteld. Het antwoord kwam van de fiscale man van VNO-NCW, trouw belangenbehartiger van juist de grote bedrijven. ‘Een heel moeilijk gegeven’, erkende hij. ‘Er is echter een duidelijke keuze gemaakt voor de energie-intensieve industrie. Die kunnen wij niet eenzijdig belasten. Eenzijdige belasting leidt tot verplaatsing van activiteiten.’ Een fiscalist van Deloitte voegde eraan toe dat ‘de bakker op de hoek niet zo snel naar Spanje kan gaan’.

Verhelderend. Burgers en ondernemers worden in zekere zin gestraft voor hun band met Nederland. Alleen wie niet weg kan en daar ook niet mee dreigt, moet het volle pond betalen.

Dat is niet langer houdbaar. De jarenlange sponsoring van de energie-intensieve industrie, de luchtvaart en de scheepvaart heeft bijgedragen aan een economisch systeem dat fossieler is dan nodig. Mét prijsprikkels zouden er wellicht zuiniger productieprocessen zijn ontwikkeld, of zelfs andere producten. Er zouden wellicht minder Albert Heijns zijn en meer bakkers op de hoek.

Ja, verplaatsing van activiteiten is een reëel risico – maar als die activiteiten kennelijk alleen konden bestaan dankzij een onrechtvaardig en klimaatonvriendelijk fiscaal stelsel, dan hadden ze misschien helemaal geen bestaansrecht.

Makkelijk is het niet de regelingen af te schaffen. Niet alleen vanwege fiscale concurrentie, maar ook vanwege internationale afspraken. Toch beloofde ook de G7 zeven jaar geleden al dat de ‘inefficiënte’ subsidies in 2025 afgebouwd zouden zijn. Op Prinsjesdag zal demissionair minister Rob Jetten vertellen hoe haalbaar dat nog is.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Source: Volkskrant

Previous

Next