Home

‘Ik ben al 28 jaar alleen, dan leer je wel door te zetten’

Jannie Hickmann-Schouten mag dan in de hoofdstad zijn geboren en nog plat Amsterdams praten, ze voelt zich een echte dorpeling. Het overgrote deel van haar leven woonde ze in Ransdorp, in Waterland. Daar heeft ze zich 75 jaar lang, tot haar 92ste, in het verenigingsleven ondergedompeld. Ze speelde saxofoon en slagwerk in de harmonie, jarenlang als enige vrouw. Als freule, notaris, verpleegkundige, moeder en tante stond ze op de planken in het dorpshuis. Geen goed woord heeft de 100-jarige over voor het grote, bemoeizuchtige Amsterdam, dat de ziel uit haar dorp haalde.

‘Overal in. Twee van mijn vijf zussen leven nog. Elke week ga ik met de zus van 88 naar de markt. Die is hier voor de deur. Dan koop ik fruit en een visje. Vroeger at ik graag paling, maar die is onbetaalbaar geworden. Ik woon in een goed huis, ze organiseren allerlei activiteiten voor de mensen. Maar ik doe er niet aan mee, liever lees ik een boek op mijn kamer, vooral boeken over de oorlog, over de Jodenvervolging. Nu lees ik Sterrekinderen, van Clara Asscher-Pinkhof. Zij beschrijft wat Joodse kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. Met Kerst werd een groep bijeengebracht in een schuur en vervolgens werd die schuur in brand gestoken. Verschrikkelijk. Ken je Het meisje, het bos en de poes? Dat gaat over een Pools Joods meisje op de vlucht, dat in een groot bos verzeild raakt. Daar komt een kat op haar af en die blijft de hele oorlogstijd bij haar, helemaal tot in Engeland. Ook echt gebeurd.’

‘Ik lees ook vrolijke boeken hoor, zoals Zand, zeep & soda verhalen, over een tweeling die op vakantie is in Egmond aan Zee. Dat is vreselijk lachen. Maar de oorlog, die houdt mij nog steeds bezig, ik wil alles weten over wat er met de Joden is gebeurd. Tijdens de oorlogsjaren heb ik dat niet geweten. Dat ik nog zo met die periode bezig ben, komt misschien ook omdat mijn vader, Piet Schouten, die in de ondergrondse zat. Hij was actief in een knokploeg en hielp onderduikers aan een adres. Met zijn verzetsgroep heeft hij weten te voorkomen dat de Duitsers de Waterlandse Zeedijk in Schellingwoude opbliezen. De springstofstaven waren al geplaatst. Van prins Bernhard kreeg hij na de oorlog het Kruis van Verdienste.

‘Ik mocht en wilde niet weten waar mijn vader was en wat hij deed, dan kon ik hem ook niet verraden. Mijn moeder had vaak blauwe lippen van angst. Ze was doodsbang dat de Duitsers vader kwamen halen, bijvoorbeeld als in de avond buiten op de verduisterde ramen werd geklopt. Er waren NSB’ers in het dorp die wisten dat mijn vader in het verzet zat, maar die hebben hun mond gehouden.

‘Van de ondergrondse kregen we grauwe erwten en witte bonen, daardoor hadden we genoeg te eten. De buurman was boer en gaf ons elke dag een liter melk. Daar hebben we geluk mee gehad.’

‘Op mijn vader. Ik heb zijn opgeruimde karakter en doorzettingsvermogen. Net als hij zal ik niet gauw in de put zitten of ergens tegenop zien. Mijn moeder was ook een goed mens. Van mijn vader heb ik dat actieve. Hij zat overal in, was altijd bezig met mensen helpen, ging naar politieke bijeenkomsten van de CHU (christelijke partij die later is opgegaan in het CDA, red.) en meteen na de oorlog richtte hij in ons dorp een toneelvereniging op. Die bestaat nog steeds: Toneelvereniging Ransdorp. Hij vond zo’n vereniging belangrijk voor de saamhorigheid in het dorp. Zelf deed hij overigens niet mee.’

‘Nou, ik ben al 28 jaar alleen. Dan heb je wel doorzettingsvermogen nodig. Ik was 72 toen mijn man overleed. Ik dacht: ‘Wat moet ik zonder hem?’ Hij had gouden handen en deed alles in huis. Wat mij erg heeft geholpen, was dat ik mijn verenigingen nog had. Tot mijn 92ste heb ik bij de Waterlandse harmonie gespeeld, eerst altsaxofoon en toen na zestig jaar spelen mijn spieren begonnen te verslappen en er valse noten uitkwamen, stapte ik over op slagwerk. Tot mijn 85ste was ik lid van de Toneelvereniging Ransdorp. Voor toneelstukken moet je elke dag leren, leren, leren. Dat deed ik ook, want ik wilde niet afgaan of van de souffleuse afhankelijk zijn. Ik denk dat ik dankzij het musiceren en toneelspelen zo oud ben geworden, want je activeert je verstand ermee.

‘In de harmonie en bij het toneel heb ik mij kunnen ontwikkelen. Na de lagere school ben ik niet verder gegaan, dat vind ik wel jammer. Ik ging mijn moeder helpen in huis: stoffen, vegen, dweilen. Ze had het druk, met een gezin met zes dochters. In het verenigingsleven heb ik zelf noten en vreemde talen leren lezen. Overigens realiseer ik mij nu pas dat mijn man veel avonden alleen thuis zal hebben gezeten, ook toen we kinderen hadden. Ik was een paar keer per week ’s avonds óf aan het spelen bij de harmonie of bij de toneelvereniging. Daar heb ik eigenlijk nooit erg in gehad. Hij was een fijne man, hij vond alles goed.’

‘Ik begon op mijn 17de en heb het altijd heerlijk gehad. Met mannen onder elkaar is het ontzettend gezellig. Ze hebben geen last van afgunst. Ik hoorde er helemaal bij.’

‘Iedereen kende elkaar en hielp elkaar. Dat heb je nu niet meer, hoor. Er zijn veel stadsmensen naar Ransdorp gekomen. Vroeger wilden ze niet tussen die boerenpummels wonen en nu leggen ze veel geld neer voor onze huizen. We hebben veel last gehad van Amsterdam. We hadden een mooi dorpshuis waar we optraden met de toneelvereniging, maar de gemeente wilde er een grote school van maken en toen moesten we voortaan in de sporthal oefenen en optreden. We werden overal uitgejaagd.

‘Ook zijn in de loop der tijd alle winkels uit het dorp verdwenen. We hadden alles: een bakker, kaasboer, eierboer, melkboer, slager, kruidenier en een kapper. De visboer en verkopers van schoenen, petroleum en fournituren kwamen van buiten het dorp en gingen bij ons langs de deuren. Na de komst van de supermarkt in Nieuwendam verdwenen alle winkeltjes.’

‘O ja hoor, je groeit mee. Ik zeg wel: Als mijn overleden zussen zouden terugkeren, dan zouden ze niet in deze tijd kunnen leven, het ritme is niet bij te benen. Alles gaat gehaast, je wordt tegenwoordig geleefd. We zitten met velen op elkaars lip, de rust is weg. Ik vind ons land overbevolkt. Op de lagere school leerde ik dat er 7,5 miljoen Nederlanders zijn, nu hebben we het dubbele. Een groot verschil met vroeger vind ik dat jonge mensen alles al hebben als ze aan hun eigen leven beginnen. Ik hoor ze praten over een auto, terwijl wij al heel blij waren met een fiets. Toen mijn man en ik in 1946 trouwden, hadden we helemaal niets. Meubels konden we lenen, zoals een stoel van mijn schoonvader. Zodra we na een paar jaar genoeg hadden gespaard om zelf meubels te kunnen kopen, gaven we alles terug. We hadden één laken van een tante gekregen. Dus als ik dat waste, moest het dezelfde avond droog zijn. Toen ons eerste kind kwam, hadden we twee lakens. Op een gegeven moment was van een laken het middelste stuk bijna door, van de randen maakte ik luiers voor mijn dochter. Kijk, we hadden niet veel, maar we hadden er geen erg in en waren er tevreden mee. Die instelling zie je bij de jongeren van nu niet meer.’

Jannie Hickmanns achterkleinzoon komt binnen om foto’s te laten zien van zijn reis door Costa Rica. Dat roept bij haar herinneringen op aan vakanties in haar jonge jaren. ‘We gingen op de fiets naar de Veluwe, en dat vonden we zó ver, dat we bij Hoevelaken een pauze hielden voor een kop koffie.’

‘Ik was eraan toe. Drie jaar geleden, ik was 97, belde ik mijn dochter Leny en zei dat het niet meer ging met alle opstapjes in huis. Had ik gelijkvloers gewoond, dan was ik in Ransdorp gebleven. Ik was bang dat ik naar Amsterdam moest, maar een sociaal werkster en een fysiotherapeut schreven een mooie brief en daarmee is mijn dochter aan de gang gegaan. En zo is het haar gelukt in Landsmeer een kamer in een woonzorgcentrum te vinden. Ik was een vreemdeling in dit huis. Ik zat net op deze kamer, toen we de corona-epidemie kregen. Mijn tv, telefoon en radio waren nog niet mee verhuisd, maar ik mocht die niet ophalen. Ik voelde mij opgesloten. Ik heb veel boeken gelezen in die tijd. Als ik nog thuis had gewoond, was ik tijdens corona écht alleen geweest, denk ik maar.’

‘Wees eerlijk tegen een ander. Als iemand je iets in vertrouwen zegt, moet je je mond houden, want anders krijg je de grootste heibel.’

geboren: 11 september 1922 in Amsterdam-Noord

woont: in een woonzorgcentrum in Landsmeer

familie: twee kinderen, vier kleinkinderen, vier achterkleinkinderen

weduwe: sinds 1994

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next