Home

Veel auto’s bezitten inmiddels een hoog betuttelkarakter. En allemaal hebben ze hun eigen obsessie

Ik behoor nog tot de generatie waarvoor het behalen van een autorijbewijs op je 18de min of meer deel van de opvoeding uitmaakte. Zelf heb ik nooit een auto bezeten, en dat zou met het oog op de parkeerproblematiek in hartje Amsterdam ook een onding zijn geweest. Tien jaar later heb ik bovendien mijn motorrijbewijs gehaald, en met de motor kwam ik vervolgens zonder zulke parkeerproblemen ook overal, van Noord-Spanje tot de Noordkaap.

Beide verschaffen de flexibiliteit om in eigen tempo door een land rond te trekken. Ik haat het gesjouw met koffers als je dat per bus of trein moet doen, afgezien nog van de afhankelijkheid van een dienstregeling die je uren vasthoudt in stomvervelende overstapplaatsen of je juist dwingt een boeiend bezoek af te raffelen omdat de laatste bus al om zes uur vertrekt.

Over de auteur
Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en (gast)columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Alleen voor grote stedentrips is juist een auto onzinnig: stedelijk openbaar vervoer heeft meestal een fatsoenlijke frequentie, en bovendien is veel beloopbaar. Van hier naar pakweg Santiago de Compostela is mij daarentegen te voet wat ver, al schijnen er enthousiastelingen te zijn die dat doen.

Omdat eindeloze stukken snelweg op de motor mij, nu wat meer op leeftijd, inmiddels te vermoeiend worden, ik ook meer bagage mee wil slepen, en de permanente hittegolf die half Europa ’s zomers teistert het rondlopen in solide motorkledij minder aangenaam maakt, neem ik tegenwoordig voor vakanties vaak de toevlucht tot een kleine huurauto. Daarin kun je desnoods ook halfnaakt gaan zitten zweten. Op een motor is dat niet echt aan te raden, al zie je dat wel steeds meer idioten doen.

Waar ik met de auto van mijn ouders een oude brik zonder veel poespas gewend was, is dat tegenwoordig een aparte ervaring. Zelfs het kleinste autootje zit tegenwoordig boordevol techniek.

Soms is dat handig, zoals met sensoren en achteruitkijkcamera, die je bij moeizaam inparkeren in nauwe Italiaanse straatjes vele deukjes besparen, maar de meeste zijn echt overgeprogrammeerd. Tijdens de eerste twintig kilometer, van de verhuurder op Schiphol op weg naar huis om mijn bagage op te halen, piept en flikkert er voortdurend van alles, zodat je je steeds afvraagt: wat doe ik nu in godsnaam weer fout?

Veel auto’s bezitten inmiddels een hoog betuttelkarakter. En allemaal hebben ze hun eigen obsessie. Bij de een krijg je de dringende aansporing van de derde naar de vierde versnelling te gaan, bij de ander maakt gesnerp je er bij elke inhaalmanoeuvre op attent dat als je vervolgens niet bijstuurt, honderd meter verderop de vangrail wacht. Ja, daarin heeft de auto natuurlijk gelijk.

Eind juli op weg naar Zwitserland werd mij na twee uur rijden ter hoogte van Brussel meegedeeld dat het hoog tijd was voor een kop koffie. Van welk merk werd er nog net niet bij verteld, maar dat komt vast nog. Vorig jaar kraaide iedere keer als ik een nieuw land naderde een opgewonden mannenstem: ‘Caution! Border crossing!’ Inderdaad levensgevaarlijk, die Nederlands-Belgische grens. Koning Willem IV trekt al troepen samen voor een nieuwe Tiendaagse Veldtocht tegen die onverbeterlijke renegaten ginds.

Een andere keer verscheen eens midden in het Zwarte Woud op de display plots de mededeling dat ik ter plekke de banden moest oppompen, en toen ik daar niet meteen gehoor aan gaf – ik wilde graag nog voor het donker mijn hotelletje bereiken – kwam een dreigende schroevendraaier in beeld met het bevel NU een garage op te zoeken. Achteraf bleek het slechts een automatisch gegenereerde oproep om eens in de zoveel tijd de boel te controleren.

Standaard volgt bij veel auto’s ook nadat de motor is gestart de vermaning voorzichtig te rijden, je aan de verkeersregels te houden en goed om je heen te kijken. De tekst is dermate lang dat je bij complete lezing al halverwege tegen een boom bent beland. Ja, zo krijgt de auto inderdaad altijd gelijk.

De auto die altijd gelijk heeft: dat is natuurlijk tevens een actueel politiek thema. In de Volkskrant van 23 augustus stond een onthutsend interview met het kortstondige VVD-Kamerlid Daan de Neef, een stuk om gelijk Luthers stellingen vast te prikken op de voordeur van het VVD-partijkantoor, omdat het zo onthullend is over de primitieve populistische driften van die club. Even de schattige naïviteit van De Neef zélf terzijde latend, die wel erg veel jaren nodig had om daarachter te komen: met veel vernietigende uitspraken slaat hij de spijker op de kop.

Eén eerder struikelpunt voor hem, nog als raadslid in Breda: ‘Het altijd maar paaien van automobilisten. De VVD-fractie vond dat autobezitters overal voor de deur moesten kunnen parkeren. Dat is niet reëel in een grote stad.’ Daarmee raakt hij de essentie van het VVD-probleem in het algemeen. De auto was individueel een zegen, maar vormt gezien de massaliteit inmiddels een collectieve plaag. Zoals dat ook bijvoorbeeld voor het vliegverkeer geldt.

De meeste VVD-politici zijn te laf, of gewoon te dom, om die spanning tussen individueel voordeel en collectief nadeel onder ogen te durven/kunnen zien. En dat geldt voor welhaast elk terrein waar, als gevolg van zulke massaliteit, economische groei op ecologische leefbaarheid botst. Dat is de kern van de klimaatproblematiek die ook bij de komende verkiezingen centraal moet staan, in plaats van rechtse ruttiaanse afleidingsmanoeuvres inzake een non-vraagstuk als gezinshereniging.

Source: Volkskrant

Previous

Next