Wie in het voorjaar van 2022 de trein nam in Hilversum, Amersfoort of Woerden, kan bij de stationshal zijn benaderd door een jongeman die neutraal vroeg of hij zonder ov-bewijs mocht meeliften door de toegangspoortjes.
Tien acteurs liepen daar toen rond om het aan reizigers te vragen, vijf met een Nederlandse achtergrond en vijf met een Marokkaanse of Turkse achtergrond.
Zou dat uitmaken?
Over de auteur
Margriet Oostveen schrijft voor de Volkskrant over sociale wetenschappen, geschiedenis en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.
De vraag, 801 keer op precies dezelfde manier door de acteurs gesteld (‘Ik wil een trein halen, mag ik achter u aanlopen wanneer u incheckt?’), was de kern van een sociaal experiment van socioloog Kasper Otten (29). Hij onderzoekt welke problemen zich voordoen wanneer veranderende groepen mensen moeten samenwerken.
Samenwerking is een heet hangijzer in de sociologie en al vaak onderzocht. Maar, best opvallend in een veranderende wereld: vrijwel altijd bleven de onderzochte groepen dan uit dezelfde personen bestaan. Experimenteel onderzoek naar samenwerking in groepen die veranderen omdat er nieuwkomers bijkomen, is nog maar zelden gedaan.
Kasper Otten, die op 8 september in Utrecht zijn proefschrift Cooperation in changing groups verdedigt, koos daar wel voor. Hij gebruikte drie methoden om zijn onderzoeksvragen te beantwoorden: labexperimenten, een grootschalige analyse van ruim een miljoen observaties uit de onlinegame Ikariam en het veldexperiment op de stations.
De opvallendste resultaten rolden uit twee tot drie methoden tegelijk en mag hij daarom robuust noemen. Ze zijn extra interessant tegen de achtergrond van het migratiedebat, maar gaan niet over migranten alleen. ‘Iedereen kan morgen een nieuwe baan krijgen waar je de normen nog moet leren’, zegt Otten. ‘En iedereen moet zijn plek weleens verlaten. Iedereen kan een nieuwkomer worden.’
Ottens studie maakt deel uit van een groot onderzoeksprogramma naar ‘duurzame samenwerking als sleutelfunctie van veerkrachtige samenlevingen’ met de naam Scoop, waarvoor tientallen promotieonderzoekers aan het werk zijn.
Deze sociologen, psychologen, filosofen en historici van vijf Nederlandse universiteiten kregen in 2017 bijna 19 miljoen euro NWO-subsidie om te zoeken naar manieren om mensen te laten samenwerken op belangrijke thema’s als zorg, werk en integratie. Dit nu Nederland snel verandert en oude samenwerkingsverbanden zoals kerken, verenigingen en politieke partijen uiteenvallen.
WIJ/ZIJ-MAATSCHAPPIJ
Kunnen we in tijden van polarisatie nog samenwerken tegen klimaatverandering en oorlog? Wie denkt nog in termen van een algemeen belang? De Volkskrant onderzoekt in deze serie wat de wetenschap zegt, waar de struikelblokken liggen en wat we hiervan kunnen leren. Eerdere afleveringen: volkskrant.nl/WijZij
In de sociologie heet de keuze tussen eigen en algemeen belang een sociaal dilemma. Het ontstaat overal waar mensen samenwerken. Of in onderzoekstermen: waar ‘coöperatie voor publieke goederen’ plaatsvindt.
‘Bijdragen aan publieke goederen gebeurt al zo lang als mensen samenleven’, legt Otten nog eens uit, in de woning die hij in Utrecht deelt met zijn Griekse vriendin: ‘Jager-verzamelaars droegen al bij aan publieke goederen toen ze hun voedsel deelden.’ Tegenwoordig dragen we aan publieke goederen bij wanneer we belasting betalen. Maar ook het doen van een volledige afwas (voor een gezamenlijke studentenkeuken), vrijwilligerswerk (voor de gezamenlijke voetbalclub) of bijvoorbeeld minder vliegen (voor het klimaat, van ons allemaal).
Otten onderzocht de relatie tussen veranderingen binnen een groep en samenwerking van de leden. Hebben normatieve verschillen tussen een bestaande groep en nieuwkomers, oftewel verschillende ideeën over hoe de zaken zouden moeten gaan, invloed op die samenwerking? In hoeverre zijn mensen geneigd hun eigen groep te bevoordelen wanneer de groep verandert?
Voor het labexperiment gebruikte Otten een public good game oftewel publiekgoed-spel. Dat is een bekend gedragsspel voor onderzoekers dat ook veel gebruikt wordt in de economie en psychologie, en waarin mensen moeten kiezen tussen eigenbelang en algemeen belang.
‘In de standaard public good game’, legt Otten uit, ‘nodigen we mensen uit bij het lab en geven we ze bijvoorbeeld 20 euro. Vervolgens hebben ze de keuze: je kan nu dit geld voor jezelf houden. Óf je kan het stoppen in een groepspot. Wat in die pot zit gaan we verdubbelen, dus dat wordt meer waard, en daarna wordt het gelijk verdeeld onder alle groepsleden.’ Dus ook aan deelnemers die niet aan de pot hebben bijgedragen.
Stel je zit in een groep van vier mensen. Als iedereen zijn 20 euro inlegt en dat wordt verdubbeld, dan is er 160 euro te verdelen. Dus krijgt iedereen 40 euro terug en is iedereen er evenveel op vooruitgegaan. Maar als jij ervoor kiest om de 20 euro zelf te houden, terwijl de andere drie wel hun 20 euro in de groepspot stoppen, dan krijgen zij 30 euro en houd je zelf 50 euro over.
Otten legde zo’n public good game in twee experimenten voor aan 412 deelnemers, die elkaar niet zagen en afzonderlijk achter een computer zaten. Ze konden ook strafpunten uitdelen aan groepsleden die voor hun eigenbelang kozen. ‘En dan speelden we tien rondjes. Omdat we weten dat er binnen zo’n groep na een paar rondjes een sociale norm ontstaat.’
Na tien rondjes veranderden de groepjes. ‘Dan pakten we één persoon van een groepje en wisselden we die met een persoon van een andere groep’, zegt Otten. ‘Dat waren dan de nieuwkomers. Die hadden dus nog niet de groepsnorm geleerd die na tien rondjes was ontstaan.’
Vervolgens keken ze naar het effect. Hoeveel zou de nieuwkomer bijdragen? Hoeveel straf kreeg hij? En hoe snel zou hij zich aanpassen? ‘In zo’n spel werd vrij snel duidelijk wat de norm was. En meestal zagen wij dat de nieuwkomer eerst bijdraagt volgens zijn eigen norm. Maar dat hij zich snel, al vanaf de tweede ronde, conformeert aan de norm van de bestaande leden.’
Daarna onderzocht Otten data van Ikariam, een game voor meerdere spelers, waarin de deelnemers dorpen bouwen in het oude Griekenland. Het spel wordt in 44 talen gespeeld. ‘Omdat de bedenkers geïnspireerd waren door public good games bleek het heel bruikbaar.’ Deelnemers aan Ikariam kunnen grondstoffen kopen of veroveren, goud verdienen, samenwerkingsverbanden aangaan.
De spelers bevinden zich met anderen op verschillende eilanden, legt Otten uit. ‘En elk eiland heeft ‘public goods’. De bekendste is de zagerij, waar je hout kan halen om te bouwen. Maar hoeveel hout je kan halen van de zagerij, hangt af van hoeveel iedereen bijdraagt op het eiland.’
Kasper Otten werkte voor dit deel samen met zijn promotors en de Duitse onderzoeker Ulrich J. Frey, die twee jaar lang data van 135 duizend spelers had verzameld. Samen analyseerden ze 1,5 miljoen beslissingen van deze spelers in ruim elfduizend spelersgroepen.
De virtuele Ikariam-wereld bleek al veel complexer dan het van alle verdere invloeden ontdane labexperiment. Toch droegen nieuwe leden hier net als in het lab aanvankelijk vaak anders bij dan de zittende leden, en pasten ze zich ook hier na verloop van tijd weer aan. Het duurde alleen langer. ‘Waar in het labexperiment anderhalf uur genoeg was, kon dat binnen Ikariam maanden duren.’
Extra interessant voor Otten, dankzij de spelstructuur met eilanden: spelers zijn in Ikariam tegelijkertijd bestaand lid op het ene eiland en nieuwkomer op het andere. ‘Dat stelde ons in staat om bij een en dezelfde persoon te vergelijken of hij zich anders gedroeg in een groep waar hij al lid was dan als nieuwkomer. Dat blijkt inderdaad zo te zijn.’
In andere woorden: terwijl van nieuwkomers vaak wordt gedacht dat afwijkende onderliggende eigenschappen van die persoon (zoals ‘egoïsme’) tot een andere bijdrage aan de maatschappij leiden, blijkt dat niet de oorzaak. ‘Het gaat echt om zijn rol van nieuwkomer binnen de zittende groep.’
Binnen het Ikariam-onderzoek bleek nog een factor van belang, zegt Otten: ‘Nieuwkomers moesten niet alleen de nieuwe norm leren, ze hadden aanvankelijk gewoon ook veel minder middelen om bij te dragen. Zodra ze die middelen kregen, kwamen de bijdragen bijna vanzelf.’
Om na het lab-experiment nogmaals te onderzoeken hoe mensen reageren wanneer nieuwkomers de norm overtreden, bedacht Otten tenslotte zijn veldexperiment: het verzoek bij de ov-poortjes.
De reacties staan netjes gerubriceerd in een bijlage van het proefschrift en variëren van ‘Nee optiefen’ tot ‘Helemaal prima jongen’. Nadat de vraag was gesteld en beantwoord, legde de acteur de reiziger uit dat hij onderdeel was van een sociaal experiment en overhandigde hij een kaartje met Source: Volkskrant