Edith Hazelebach (65): ‘De eerste jaren had ik het over ‘het ongeluk’. Ik wilde niet zeggen dat ik was neergeschoten. Dat vond ik te confronterend voor mezelf, maar ik was ook bang voor nare reacties. Dat mensen zouden zeggen: ‘O, weer zo’n zwarte zeker?’ – zulke uitspraken deden me pijn. Ik had een heel goede tijd gehad met Jared, en met zijn Ethiopische vrienden en familie. Met sommige van hen heb ik nog steeds contact. Dan eten we injera, een grote pannekoek met allemaal kleine gerechtjes waarvan je soms ook een stukje bij elkaar in de mond stopt. Een leuke, lieve gewoonte vind ik dat, onder goede vrienden. Over Jared gaat het nog heel af en toe. Dan wordt vooral gezegd: wat zonde toch, dat hij het heeft gedaan.
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven.
‘Het gebeurde in augustus 1992. Dan ben je 34 en is alles kapot – ik heb nooit meer kunnen werken. Ik werd neergeschoten door Jared op een parkeerplaats aan de Mathenesserlaan in Rotterdam – het laatste wat ik me herinner is dat ik met mijn sleutel in mijn hand naar mijn auto toeliep. Meteen daarna heeft hij zelfmoord gepleegd, hij heeft zichzelf doodgeschoten, iets verderop, aan het water. Maar dat heb ik niet bewust meegekregen; alles van die dag en van de weken erna ben ik kwijt.
‘Een half jaar eerder had ik het uitgemaakt nadat we zeven jaar een relatie hadden gehad. Dat kon hij niet verkroppen. Maar ik kon niet anders: we waren uit elkaar gegroeid, en ik was ook verliefd op iemand anders geworden, daar moest ik eerlijk over zijn. Dus ik ging weg. We woonden samen, en mijn carrière ging als een speer in die tijd, terwijl Jared hele dagen thuiszat. Toen heb ik gezegd, om hem te helpen: ik betaal nog zes maanden de huur, dan heb jij tijd om rustig iets anders te zoeken en je zaken op orde te krijgen. Maar hij was in die tijd al erg lusteloos, dat is hem niet gelukt.
‘We woonden samen op het oude Rotterdamse drinkwaterterrein. Arm en rijk woonde daar door elkaar, veel kunstenaars en studenten, een heel leuke tijd. Ik had een hbo-opleiding jeugd en welzijn gedaan – vraag me niet naar jaartallen, alles met getallen is kapot in mijn hoofd – maar daarna rolde ik de theaterwereld in. Casting. Eerst voor toneelstukken, al snel ook voor bioscoopfilms en commercials. Ik kreeg een drukke baan bij een castingbureau en werkte dag en nacht.
‘Jared had ik leren kennen via vrienden. Hij was een vluchteling uit Ethiopië, een slimme, creatieve jongen op wie iedereen dol was, ik ook al gauw. Hij was hoogopgeleid, sprak goed Engels en binnen no time ook Nederlands op een heel mooie, speelse manier. Je had destijds heroïnehoertjes op de G.J. de Jonghweg en dan had hij het over ‘stadslichten’, hij zat vol met zulke vondsten. We werden verliefd en wat later gingen we samenwonen. Het ging toen nog goed met hem: hij had werk in de techniek, we hadden een auto en een hond, we trokken er vaak op uit samen. De gekste dingen maakten we mee. We hadden eens het plan opgevat om geld in te zamelen om landbouwmachines naar zijn dorp in Ethiopië te sturen, en daarvoor gingen we naar een tractor kijken op een landbouwbeurs. Daar werden we ontvangen alsof we een officiële delegatie uit Afrika waren, we hebben zo gelachen. En ik heb zijn ouders ontmoet, die kwamen naar Nederland, heel lieve mensen. Jared is in Ethiopië begraven. Dat zijn moeder een dood kind terugkreeg, dat moet een verschrikking zijn geweest. Ik heb nog zo vaak aan haar gedacht.
‘Jared was in opstand gekomen tegen de dictatuur in zijn land. Net als zijn broer, die later in Amerika is gaan studeren. Hem heb ik jaren na de schietpartij een keer bezocht. Hij schaamde zich verschrikkelijk voor wat er was gebeurd. Net als hun vader, ik weet nog dat ik hem aan de telefoon had en dat hij vreselijk bezorgd was om mij. Hij had nota bene zijn kind verloren, maar nee, ík was belangrijk, hoe ging het met mij?
‘Ik ben een week in coma gehouden na de schietpartij. De twee kogels zitten nog altijd in mijn hoofd, het zou te veel hersenbeschadiging hebben opgeleverd om ze eruit te halen. Ik heb een glazen oog, epileptische aanvallen, ik ben volledig arbeidsongeschikt, altijd gebleven. Dat vind ik het ergste, ik deed mijn werk met zo ongelooflijk veel plezier. Nog steeds kan ik in tranen zijn bij de aftiteling van een goede film: daar had mijn naam ook voorbij kunnen komen. ‘Ik ben zo jaloers als ik op maandagochtend al die mensen naar hun werk zie vertrekken’, heb ik wel tegen vrienden geklaagd. ‘Ach meid, we gaan met zó’n smoel’, troostten ze me dan. Maar ik had die smoel ook willen hebben, snap je, ik wilde meedoen, en dat kon niet meer.
‘Nee, boos op Jared ben ik nooit geweest. Hij had posttraumatisch stresssyndroom, denk ik nu. Hij lag niet voor niets soms gillend naast me in bed. We praatten bijna nooit over zijn duistere periode in Ethiopië, maar ik wist dat hij vreselijke dingen had meegemaakt: hij had in de gevangenis gezeten, zijn zusje was voor zijn ogen verkracht. Hij had psychiatrische hulp moeten krijgen, maar ja, dat gebeurde destijds niet. En nog steeds worden de trauma’s van asielzoekers erg onderschat. Ik weet van een Ethiopische jongen die is uitgezet en vermoord zodra hij uit het vliegtuig stapte. Het gaat om ménsen, hè. Het beleid is inhumaan.
‘Het ergste verdriet kwam pas na een jaar. De eerste tijd ging op aan opnieuw leren opstaan ’s ochtends, douchen, ontbijten, een stukje wandelen, een boodschap doen, mijn straatvrees overwinnen – ik was heel bang geworden –, dat kostte al mijn energie. Pas na een jaar ben ik vreselijk gaan huilen. Toen realiseerde ik me wat het echt betekende dat ik zo veel niet meer kon. Ik ben nog even gaan werken bij het castingbureau, ik wilde zó graag, maar het ging echt niet. Alles was beschadigd.
‘Maar het is lang geleden, hè, ik heb er het beste van gemaakt. Ik ben getrouwd met de man voor wie ik Jared had verlaten, kinderen hebben we niet gekregen. Na zestien jaar huwelijk kreeg hij een ander en zijn we gescheiden – dat was misschien nog wel erger dan de schietpartij, omdat ik het bewust heb meegemaakt. Wéér opkrabbelen, ja. Het is wat het is. Nu red ik het prima in mijn eentje, met een paar goede vrienden om me heen. Een stuk of acht, meer heb je er niet nodig, anders word je in goede bedoelingen gesmoord. Ik heb weinig geld, maar ik heb wél een Cineville-pas en een gay best friend met wie ik elke maandagavond naar de bioscoop ga. Laatst gingen we naar Barbie, ik zei: je komt niet in het roze, hoor. Was de film uitverkocht. Toen zijn we een ijsje gaan eten op de Witte de Withstraat en lekker mensen gaan kijken. Reuzegezellig, dan hebben we samen ontzettend veel lol.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden