Home

Laurens Verhagen over zijn overleden gehandicapte zoon: ‘Hij leerde me in het hier en nu te leven’

Filosoof en Volkskrant-techredacteur Laurens Verhagen ervoer het leven met zijn meervoudig gehandicapte zoon Boris als een doorlopend rouwproces: steeds opnieuw moest hij leren leven met de wetenschap dat de kloof tussen Boris en zijn leeftijdsgenoten, hoe ouder hij werd, alleen maar groter werd. Tot hij in 2020 totaal onverwachts overleed.

Boris Verhagen werd in het jaar voor zijn dood een beetje beroemd, door toedoen van zijn eigen vader, die in de Volkskrant twee artikelen wijdde aan zijn zoon. Het eerste verhaal, van oktober 2019, schetste de moeizame, uiteindelijk succesvolle zoektocht naar een fijne, eigen woonplek voor Boris. ‘Boris is 19 jaar en ruim 1,90 meter lang. Vanbinnen een blije, naïeve peuter die de wereld bekijkt met een onbevangenheid en vrolijkheid waar zijn vader weleens jaloers op is.’

Het tweede verhaal, van maart 2020, beschreef het dilemma waar de coronacrisis Boris’ ouders voor stelde, evenals veel andere ouders van kinderen met een beperking: nemen we hem in huis of laten we hem in zijn zorginstelling – met als gevolg dat we hem misschien maanden niet kunnen zien? ‘Alleen al het vooruitzicht dat we hulp hebben en dat we er niet alleen voor staan, is genoeg om de beslissing te kunnen nemen. We halen hem op. Het voelt als een militaire operatie.’ Tweeënhalve maand na die publicatie overlijdt Boris plots aan een hersenbloeding.

Deze week verscheen Heen, een boek als een monument voor een zoon waar Verhagen zich ‘te lang voor heeft geschaamd’, met een tot op het bot verpletterende eerste zin: ‘Over precies een maand gaat Boris dood.’ En daarna: ‘Het is nog steeds prachtig lenteweer en eigenlijk gaat alles verrassend goed.’

Vandaag is het ruim drie jaar later. Het is een regenachtige augustusdag – of laat dat ‘achtig’ maar achterwege – als Verhagen met zijn Volvo op de kiss-and-ride voor het station van Putten op me wacht. Bij gebrek aan eigen vervoer bood hij aan me hier op te halen. Voorafgaand aan deze afspraak appten we over een geschikte interviewlocatie. De week waarin het interview moet plaatsvinden, blijkt in zijn vakantie te vallen. ‘Het mag ook op mijn vakantieadres, lekker in de bossen (en Boris was daar ook vaak).’ De boodschappen tussen haakjes zijn soms de belangrijkste. Verhagen woont met zijn vrouw Roelien in Naarden, hun jongste zoon Pieter (nu 20) woont sinds kort op zichzelf in Utrecht. In de vakanties en weekenden zijn ze regelmatig met z’n drieën hier, op de Veluwe, waar het landgoed ligt dat al sinds de 19de eeuw in de familie is, en waar een stuk of vijftien vakantiehuizen op staan. ‘Iedereen hier kende Boris, natuurlijk. Het was een veilige omgeving voor hem, hij gedijde hier goed, en was er ook regelmatig zonder ons, met mijn ouders, later met alleen mijn moeder, en mijn broer, zodat wij met Pieter even konden bijtanken, zonder hem op vakantie konden.’

‘Daar in de verte zie je nu één boom, dat was vroeger een hele beukenlaan. Ik herinner me zijn grote ogen vanuit de kinderwagen als we daar met hem wandelden, de sensatie van die blaadjes vond hij als baby al fantastisch. Toen hij ouder werd, deden we vooral veel klusjes samen. Er is hier altijd wat te doen. Grasmaaien, houthakken, een struik snoeien, boodschappen halen. Boris voelde zich gezien als hij kon helpen. Eigenlijk is hij hier nog altijd, er hangt nog kleding van hem boven, en als we in het bos wandelen, voel ik hem met ons meelopen. Je kijkt natuurlijk met een andere bril, een gekleurde, want het was vaak ook loodzwaar. Elke minuut met hem was gevuld, we moesten helpen met eten, aankleden, zijn luiers verschonen.

‘Boris was 20 en 2 tegelijk. Hij had een beperkte actieve woordenschat – in zijn laatste jaren vooral ‘ja’, ‘nee’, ‘lekker’ en ‘heen’ –, maar was ook een boomlange vent die met zijn armen zwiepte en overal bij kon, bekers van tafel veegde, iemand die je continu in de gaten moest houden. We stonden altijd aan. Alles is anders nu. Nu kan ik urenlang in een boek lezen.’

‘Als student filosofie leerde ik al dat er niet zo veel lijn in het leven zit. Het is chaos, toeval en pech, en een mens heeft maar weinig controle. Maar als er zoiets ingrijpends gebeurt als een gehandicapt kind krijgen, vind je maar weinig houvast in de theorie. We hebben tot zijn 15de niet precies geweten wat er aan de hand was. Hij zou autistisch zijn, later kwam daar een verstandelijke handicap bij. Dat dit allemaal ‘zomaar’ kon gebeuren, kon ik lange tijd maar moeilijk accepteren.

‘Ik ging op zoek naar verklaringen. Was het die zware bevalling geweest? Iets anders waar we invloed op hadden gehad? Die gedachte dat we het misschien hadden kunnen voorkomen, vond ik onverteerbaar. Toen we uiteindelijk hoorden dat het domme pech was geweest, realiseerde ik me hoe kwetsbaar en precair het leven is. De uitslag vond ik toch vooral heel troostrijk. Aan pech kan een mens niets doen.’

‘Ik vond het een loeizware tocht. Ieder mens – of tenminste: ik – wil controle hebben, maar Boris onttrok zich aan elke vorm van controle. Ik ben vreselijk ongeduldig geweest, gefrustreerd, boos, ik snapte hem niet als hij weer eens zomaar op de grond ging liggen, en ik heb me ook voor hem geschaamd – vooral als het contrast tussen hem en zijn omgeving groot was, zoals op kinderfeestjes, als hij enthousiast met zijn armen zwaaide, en andere kinderen daar niet mee konden omgaan en er agressief op reageerden.

‘Ik vond het moeilijk om Boris te omarmen. Roelien kon dat veel eerder al. Zij is veel intuïtiever, voelt en kijkt beter. Ik hou van kennis en feiten en ben verbaler. Boris was puur, had geen geheime agenda, hij was een en al vrolijkheid. Hoezo zag ik dat zo lang niet? Uiteindelijk schaamde ik me voor mijn eigen schaamte, en ook voor mijn ongeduld, wat averechts werkte omdat hij daarvan alleen maar blokkeerde. Dat had zijn broertje Pieter al door toen hij 3 was, en mij vertelde dat ik rustig moest doen. Hij heeft het altijd voor hem opgenomen. Tegen vriendjes die kwamen spelen, zei hij dat er iets mis was met zijn hoofdje. Hij heeft zich nooit voor zijn broer geschaamd.’

‘Er is een verhaal van Edgar Allan Poe, De gestolen brief, waarin een brief met belangrijke informatie door de politie moet worden teruggevonden. Tijdens een huiszoeking legt de dief ’m open en bloot, opzichtig op tafel. Natuurlijk wordt hij niet gevonden, omdat de politie ’m daar niet verwacht. Zo was het ook met Boris. Hij wás de les, recht voor me. Filosoof en dichter Rumi schreef: ‘De wond is de plek waar het licht binnenkomt’ en zo is het: Boris was de wond in mijn leven, maar ook mijn licht. Hij had me van alles te leren over controle, perfectie en ongeduld. En hij leerde me in het hier en nu te leven, misschien wel omdat hij de taal van gister of morgen niet had.’

‘Dat het loslaten van de illusie van controle een voorwaarde is om in het nu te kunnen leven, net als het omarmen van imperfectie. Hier op de Veluwe ging dat grappig genoeg heel goed – misschien omdat de omgeving christelijk is. Iedereen in het dorp kende hem, begroette hem vrolijk, en in de dorpsbieb had hij zijn eigen boekenkast waar hij mocht helpen de boeken in en uit te zetten. Maar in het Gooi, waar hij opgroeide en dus het vaakst was, merkte ik dat er regelmatig naar Boris werd gekeken met een blik van: wie ís dit, waarom houdt hij de boel op, waarom kijkt hij in mijn boodschappenkarretje? Het loslaten van het fantastische plaatje waarin alles en iedereen in de pas loopt, dat heeft Boris me geleerd. Maar ik was een trage leerling.’

‘In mijn tijd als hoofdredacteur van Nu.nl zocht ik altijd de onrust en afleiding op, ik sloeg op de vlucht, denk ik, ik wilde niet in het nu leven, niet uit het raam naar de vogels kijken, de auto’s nawijzen, zoals Boris deed. Ik duwde hem van me af. Ik ging het verdriet dat ik over hem voelde uit de weg door knetterhard te werken, en richtte me op Pieter, die het goed deed op school en op voetbal. Dat was makkelijker. Ik werd onpasselijk van gesprekken over georganiseerde gehandicaptenvakanties met lotgenoten. Ik wilde daar niks mee te maken hebben. Ja, ik heb heel weinig over Boris gepraat.

‘Eigenlijk begon dat pas bij het eerste verhaal in deze krant, in 2019, nog geen jaar voor zijn dood. Het was bijna een soort coming-out, voor collega’s, maar ook voor mijn beste vrienden, over hoe ingewikkeld ik het leven met Boris vond. En daar kwamen zo veel lieve reacties op – dat was een pijnlijke openbaring: openheid levert steun op. En verbinding – wat ik een kutwoord vind, maar het is wel zo. Tot die tijd was het mijn verdedigingsmechanisme om een muur van cynisme op te trekken. Ik lachte alles weg. Als jonge collega’s iets over kinderen vertelden, zei ik grappend dat ze er maar beter niet aan konden beginnen.

‘Achteraf gezien was de enige mogelijke volgorde: verdriet voelen, accepteren, trots kunnen zijn. En hij ontpopte zich rond zijn 14de tot een extreem vrolijke jongen. Ik begreep hem beter, het werd makkelijker. Mijn verdedigings Source: Volkskrant

Previous

Next