Home

‘Hoe meer psychiaters in een land, hoe gelukkiger de mensen’, en andere inzichten uit een halve eeuw geluksonderzoek

Ruut Veenhoven (80) doet al een halve eeuw onderzoek naar geluk. Ook nu hij ongeneeslijk ziek is, wat hem tot zijn eigen verbazing weinig uitmaakt, werkt hij door. ‘Het verschil in geluk wordt steeds meer een kwestie van wat je er zelf van maakt. Van levenskunst.’

Hij zou natuurlijk ook een boek kunnen lezen. ‘Of kunnen vissen’, grijnst Ruut Veenhoven. ‘Maar ik vind wetenschap nu eenmaal leuk.’ En dus schuift de 80-jarige emeritus hoogleraar op deze woensdagochtend een kartonnen bekertje onder de koffieautomaat van het Van der Goot-gebouw – een betonnen kolos op de campus van de Erasmus Universiteit.

Officieel ging Veenhoven in 2007 met emeritaat, maar hij werkt nog altijd zo’n vijftig uur per week. Monter: ‘Eerder was dat meer, maar nu moet ik elke week naar het ziekenhuis voor chemo.’ Die chemo is vanwege de ziekte van Kahler, een vorm van bloedkanker. De in geluk gespecialiseerde hoogleraar is ongeneeslijk ziek. ‘Gemiddeld leven mensen er dik vier jaar mee. Die zitten er voor mij bijna op.’

In de tijd die hem resteert, doet hij wat hij al sinds de jaren zeventig doet: onderzoek naar geluk, of zoals hij het zelf omschrijft: levensvoldoening. Als hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk zette Veenhoven wetenschappelijk onderzoek naar geluk internationaal op de kaart. Het leverde hem bijnamen op als de geluksprofessor en de godfather van het geluksonderzoek.

Geluk, toonde Veenhoven aan, is niet exclusief het terrein van filosofen, lifestylecoaches en geluksgoeroes. Het is ook niet iets ongrijpbaars: geluk valt eenvoudig wetenschappelijk te meten. Eén goed geformuleerde vraag is volgens hem genoeg. (‘Alles bij elkaar genomen, hoeveel voldoening schept u in het leven dat u leidt? Geef aan met een cijfer van 1 tot 10.’)

Ook zette hij de World Database of Happiness op, een onlinedatabank waar hij samen met collega’s de groeiende berg onderzoek naar geluk bundelt. Dat levert de bekende lijstjes op waarbij landen gerangschikt worden op geluk (Nederland staat in de nieuwste versie op plek 15, met een 7,6).

‘We zijn langzaam maar zeker gelukkiger geworden en ik verwacht dat die lijn nog wel even blijft stijgen. Ken je die grafiek met geluk in Nederland door de tijd heen? In 1975 gaven Nederlands hun leven gemiddeld een 7,2. In 2019 was dat afgerond een 8.

‘Dat is een flinke stijging, zeker als je bedenkt dat landen eigenlijk nooit lager scoren dan een 3 en niet hoger dan een 8,5. Een land zal nooit gemiddeld een 10 scoren. Geen enkele samenleving kan iedereen bedienen, kan iedereen gelukkig maken. En er bestaat natuurlijk onvermijdbaar leed in het leven.

‘De afgelopen jaren zag je in Nederland wel een coronadip. Het gemis van sociale contacten hakte er flink in. Ons geluk zakte in 2021 terug naar een 7,5. We zijn sindsdien uit dat dal aan het klimmen. Ik verwacht dat we daar inmiddels uit zijn, maar de cijfers lopen achter.’

‘Er is niet één oorzaak. Dat geldt ook voor het feit dat we steeds langer leven. Allereerst moet je vaststellen dat we vanaf de jaren zeventig hoog scoren op geluk, vergeleken met andere landen. Dat komt omdat wij in een welvarende meerkeuze-maatschappij leven, waar je als individu je eigen keuzen kunt maken. Daar komen meer mensen terecht in een leven dat bij ze past.

‘Er zijn ook nadelen aan het hebben van veel keuzes. Een voorbeeld daarvan is kinderen krijgen. Dat was in mijn tijd, in de jaren zeventig, niet echt een keuze. In die tijd werden veel vrouwen voortijdig zwanger.

‘Tegenwoordig moet je beslissen: ik stop met de pil. Dat is best een lastige keuze. Ja of nee, met wie, wanneer? Dat geeft behoorlijk wat stress en het leidt tot uitstel, wat het krijgen van kinderen niet makkelijker maakt. Gevolg is dat er een vruchtbaarheidsindustrie is ontstaan.

‘Maar het gevolg is óók dat degenen die uiteindelijk kinderen krijgen, dat ook echt willen. Dat is voor kinderen heel belangrijk. Een van de voorwaarden voor een gelukkig leven is dat je geaccepteerd wordt, in elk geval door je moeder.’

Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.

‘Goede ambtenaren blijken zelfs een belangrijkere voorspeller van geluk dan welvaart. Als je in een land leeft met goed opgeleide ambtenaren, die niet corrupt zijn, dan levert dat een voorspelbare omgeving op. Daarin kunnen mensen beter hun eigen keuzen maken.’

‘Dat is zo en dat voedt bestaande ressentimenten tegen de overheid. Niettemin blijft de overheid wel functioneren. Het is mogelijk dat onze overheid nog altijd de juiste voorwaarden voor ons geluk schept, terwijl een hoop mensen denken dat diezelfde overheid maar niks is.

‘Je moet ook niet onderschatten dat alle problemen die nu in de krant staan, uiteindelijk in veel gevallen leiden tot verbetering. Al jammerend houden we de samenleving op peil.’

‘Waarom het precies beter wordt, weten we niet. Welvaart is belangrijk voor geluk, maar vanaf een bepaald punt maakt meer geld niet gelukkiger. Wat meer uitmaakt is waaraan dat geld besteed wordt, zoals bijvoorbeeld aan psychotherapie. Ongelukkige mensen zijn in Nederland niet per se arme mensen, het zijn voor een groot deel mensen die een psychische stoornis hebben.

‘Sinds de jaren zeventig heeft de psychotherapie zich enorm ontwikkeld, er bestaat meer en beter aanbod en er wordt steeds meer gebruik van gemaakt. Daardoor is het aantal zeer ongelukkige mensen verminderd. Ik schat in dat dat een rol gespeeld heeft.’

‘Het is best mogelijk dat het aantal stoornissen iets toeneemt, al geloof ik dat niet meteen op basis van dit soort onderzoeken. Want hoe weten we zeker dat het aantal stoornissen niet toeneemt omdat er meer maatschappelijk bewustzijn is over dit soort thema’s?

‘Als het zo is dat steeds meer Nederlanders een psychische aandoening hebben, dan wordt dat misschien gecompenseerd doordat de behandelingen zijn verbeterd.

‘Als je gaat tellen zie je: hoe meer psychiaters en psychologen een land heeft, hoe gelukkiger de mensen zijn. Het is net als met dokters. Hoe meer dokters in een land, hoe langer de mensen er leven.

‘Wat ook een rol speelt in ons groeiende geluk, vermoed ik, is de veranderde manier van opvoeden. Vroeger was de opvoeding gericht op gehoorzaamheid. Ouders zijn hun kinderen de afgelopen decennia meer gaan opvoeden om ze te helpen ontdekken wie ze zijn en wat bij ze past. Dat is belangrijk in een maatschappij waar veel te kiezen valt, daar moet je kunnen kiezen.’

Onderzoeker worden was nooit het plan van de jonge Ruut Veenhoven (1942). Hij groeide op in Den Haag, in een intellectueel gezin. Zijn vader was historicus, zijn moeder econoom en een van de oprichters van de Consumentenbond. De studie bestuurssociologie in Rotterdam moest Veenhoven voorbereiden op een carrière bij de overheid.

Maar toen raakte zijn vriendin ongewenst zwanger. ‘Dat was in de jaren zestig, abortus was nog niet legaal. We hebben in het illegale circuit een abortus geregeld. Later hebben we trouwens nog twee mooie kindjes gekregen.’

Die ervaring was voor Veenhoven aanleiding om zich vast te bijten in de legalisering van abortus. Hij was onder andere voorzitter van Stichting Medisch Verantwoorde Zwangerschapsonderbreking (Stimezo), een organisatie die pleitte voor de legalisering van abortus en meerdere abortusklinieken oprichtte nog voor abortus in 1984 officieel werd toegestaan.

Vanwege die werkzaamheden kwam een carrière bij de overheid niet van de grond. ‘Ik was aangenomen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar toen werd die abortuskwestie opeens vreselijk hot. Daar viel bijna een kabinet over. Als ambtenaar mag je best voorzitter van de speeltuinvereniging zijn, maar het is niet de bedoeling dat je in zo’n politiek gevoelig onderwerp een publieke rol speelt.’

‘Ik begon in een periode dat je relatief veel vrijheid had om je eigen onderzoek op te zetten. Nu moet je vaak aanhaken bij een bestaand onderzoek. Dus ik kon het onderzoek doen dat ik wilde. Maar binnen de sociologie heeft lang een aanzienlijke aversie tegen geluksonderzoek bestaan.

‘Dat is minder geworden, mede omdat duidelijk is dat geluk goed te onderzoeken is en dat er behoefte is aan dit soort onderzoek. Maar in de jaren zeventig tot negentig kreeg ik mijn stukken niet gepubliceerd in sociologische tijdschriften. Ik publiceerde vooral in andere vakbladen van andere disciplines, zoals sociale psychologie.’

‘Dat kwam, denk ik, voor een deel uit onvrede met de resultaten. De sociologie leeft van sociale problemen. En verdomme, uit onderzoek naar geluk bleek dat veel mensen gewoon gelukkig zijn. Uit mijn onderzoek bleek ook nog eens dat inkomensongelijkheid niet problematisch is voor geluk.’

‘Ik heb als beginnend onderzoeker de inkomensongelijkheid in landen vergeleken met de mate van geluk. Toen bleek dat er geen verband was. In landen met een grotere inkomensongelijkheid waren mensen niet per se ongelukkiger. Dat was een onwelkome boodschap binnen de sociologie waar inkomensongelijkheid als een groot probleem wordt gezien.

‘Inmiddels kun je de data beter uitsplitsen naar regio’s en blijkt dat het verschilt Source: Volkskrant

Previous

Next