In de vijfde aflevering van het eerste seizoen van de populaire Netflixserie Emily in Paris gaat hoofdpersoon Emily met een vriendin en dier nieuwe geliefde een avondje uit. Laat Emily nu eerder gekust hebben met die jongen. Awkward! Maar dat is hier niet het punt. Ze belanden uiteindelijk, na zo’n typisch Parijs avondje van wijnproeven en hoedjes passen, in een gebouw met in neonletters op de gevel de naam ‘Atelier des Lumières’. Op het programma staat Van Gogh, la nuit étoilée.
Van Goghs Sterrennacht (een van de bekendste werken van de Nederlandse schilder, gemaakt in de zomer van 1889, tegenwoordig in het Museum of Modern Art in New York) en het verwante Sterrennacht boven de Rhône (uit september 1888, tegenwoordig in het Musée d’Orsay in Parijs) worden in de grote hal van het Atelier des Lumières rondom geprojecteerd. We zien de sterren schitteren en de brede rivier langs de kades in Arles stromen.
‘Wauw. Dit is ongelofelijk’, zegt Emily (Lily Collins). Ze gaan tegen een muur zitten, met de Rhône geprojecteerd op hun gezicht. ‘Ongelofelijk,’ zegt Emily nog maar eens. Ze kijkt rond: ‘Het lijkt alsof we ín het schilderij zitten.’ De juichkreet van de oprichters van het Atelier des Lumières, toen ze deze zin hoorden, moet tot buiten de périphérique hebben geklonken.
Nu, drie jaar na het eerste seizoen van Emily in Paris, brengt de Franse organisatie Culturespaces wereldwijd acht grote ‘Digital Art Centers’ onder in opvallende historische ruimten: van een gieterij voor de Franse spoorwegen in Parijs en een oude onderzeebootbasis in Bordeaux tot een bank in New York – en sinds april 2022 ook een deel van de 19de-eeuwse Westergasfabriek in Amsterdam, onder de naam Fabrique des Lumières. De komende jaren komen er nog locaties in Hamburg en Tokio bij.
Deze ‘brug tussen cultuur en entertainment', zoals directeur Grégoire Monnier van Culturespaces zijn onderneming in een interview in de New York Times noemde, bestaat uit een aantal vaste elementen, die in ieder geval in Parijs goed zijn voor een kleine 1,4 miljoen bezoekers per jaar. Een aantrekkelijke en grote, centraal gelegen locatie met een eigen interessante geschiedenis, een toegankelijk programma met niet alleen heel populaire maar ook uiterst decoratieve kunstenaars (denk aan Van Gogh, Dalí, Klimt en Chagall), en dit alles tot leven gebracht met een combinatie van projecties en animatie.
Maar ook: val de bezoekers niet lastig met bordjes, jaartallen en audiotours, want het gaat hier om de emotie en de ervaring. Het gaat hier, om Emily nog maar eens aan te halen, om ‘wauw’. Het is een kunst-en-entertainmentvorm die immersive art wordt genoemd, de kunst van de onderdompeling. De Fabrique des Lumières trok in het openingsjaar al een half miljoen bezoekers en hoopt dit jaar rond de 800 duizend uit te komen. Als het een museum was (maar dat is het niet), zou de Amsterdamse hal in de top-10 van bestbezochte kunstinstellingen in Nederland staan.
Het publiek legt graag, zoals in Amsterdam, 16 euro neer voor een bezoek, voor een programma dat ongeveer een uur in beslag neemt, maar in een eindeloze loop ook tot een soort bijna-trance kan leiden. De kunstkritiek, voor zover die zich er al over uitlaat, moet er weinig van hebben en gaat vol voor de minachting die bij dit soort toeristenfuiken zou horen. Want want is hier nou helemaal te zien? Waar is de kunst?
Toen de 86-jarige David Hockney, nooit te beroerd om de laatste techniek te omhelzen, zijn werk in Londen via een dergelijke projectieshow liet zien, schreef kunstjournalist Jonathan Jones in The Guardian: ‘Zonder de aanwezigheid van echte kunst gaat het met deze vorm van entertainment de kant op van al die andere nieuwe immersieve shows van dit moment: richting de gewichtsloze, passieloze prullenbak van de vergetelheid.’
Ik bezocht in een van de laatste weken van de zomervakantie de Fabrique des Lumières in Amsterdam, dat tot het einde van het jaar een programma vertoont rond twee Spaanse giganten: surrealist Salvador Dalí en architect Antoni Gaudí. In de grote 19de-eeuwse hal worden alle wanden en vloeren gebruikt voor projecties (45 minuten Dalí, gevolgd door een epiloog met Gaudí). Er is eerder sprake van visuele motieven dan van geprojecteerde kunstwerken.
Bij Dalí wordt ruim geput uit bekende werken als De verzoeking van de heilige Antonius (1946), dat te zien is in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel. De olifanten op hemelhoge poten in een woestijnlandschap schrijden met behulp van animatietechniek over de bakstenen muren. En kijk, daar zijn de springende tijgers uit Droom veroorzaakt door de vlucht van een bij rond een granaatappel (1944, in museum Thyssen-Bornemisza in Madrid). Ook hier braakt de ene tijger de andere uit, maar dan in slow motion.
Het deed me meer denken aan een reusachtige versie van een ronddraaiend nachtlampje met sprookjesmotieven in een kinderkamer, maar voer voor de ‘passieloze prullenbak van de vergetelheid’? Zeker niet. Mensen dwaalden door de ruimten, gingen liggen in de ‘oneindigheidskamer’ (zelfde programma, maar met spiegels rondom!) of namen selfieposes aan als Emily, om helemaal ín het schilderij te zijn.
Maar welk schilderij dan? Natuurlijk, je kunt na afloop een souvenirboek kopen, waarin de surrealistische motieven worden herleid tot de oorspronkelijke werken, maar de meeste bezoekers zullen het hierbij laten. Is dat erg? Is het passieloos? Het argument dat hier bij een overwegend jong publiek een brug wordt geslagen naar belangstelling voor de oorsprong van deze motieven, lijkt me niet zo onwaarschijnlijk. Er werd in ieder geval volop genoten, desnoods omdat je hiermee in de voetsporen van Emily in Paris treedt.
We moeten het hier wel even over de muziek hebben, want dat is een wezenlijk ander element dan in welk kunstmuseum dan ook. De presentatie gaat gepaard met een nadrukkelijke soundtrack; in het geval van de Dalí-show is dit een bloemlezing van Pink Floyd-hits. En al zal een groot deel van het publiek dit prima surrealistische muziek vinden, wanneer je zoals deze auteur een puberobsessie met Pink Floyd hebt gehad, slaan de stoppen wel door als je in deze context opeens Shine on You Crazy Diamond hoort, episch-symfonische kitsch geschreven als ode aan Pink Floyd-oprichter Syd Barrett. Híj was die Crazy Diamond en niet de schilder uit Figueres.
Niemand in de Fabrique des Lumières kan dit overigens ook maar iets schelen, zoals ook niemand een vlammend protest laat horen wanneer de Gaudí-presentatie opent met Rhapsody in Blue van Gershwin, een stukje flamenco en, waarom ook niet, Riders on the Storm van The Doors – als in een dolgedraaide afspeellijst.
De internationale situatie in de wereld van de immersive art kunnen we rustig vangen onder de noemer ‘wildgroei’, met de shows van het Franse Culturespaces aan de kwaliteitskant van het spectrum, al was het maar door de spectaculaire locaties. Vincent van Gogh is wereldwijd aanvoerder van de onderdompelshows, met concurrerende voorstellingen als Imagine Van Gogh: The Immersive Exhibition, Immersive Van Gogh Exhibit, Van Gogh: The Immersive Experience, Van Gogh Alive en Beyond Van Gogh. Grote Amerikaanse steden met veel toeristen, zoals Miami en New York, hebben wel zes verschillende locaties waar zes verschillende shows draaien, waarvan er meerdere aan Van Gogh zijn gewijd.
De werken van Van Gogh zijn inmiddels rechtenvrij. En nogmaals: de werken zelf hangen keurig in de musea, dus deze immersieve shows hebben geen last van peperdure verzekeringen, beveiliging en klimaatsystemen (nou ja, airco). Maar misschien was de wereld van de onderdompelkunst de laatste jaren wel iets te snel gegroeid, want begin augustus ging een van de grootste producenten failliet: het Canadese Lighthouse Immersive. In de doorstartplannen staat dat ze terug willen van twintig naar vier of vijf locaties.
Het Van Gogh Museum in Amsterdam bemoeit zich niet met deze tak van de Van Gogh-idolatrie. Een woordvoerder meldt dat het museum geen uitspraken doet over producties van derden. ‘Wel kan ik zeggen dat wij altijd verheugd zijn over interesse in het leven en werk van Vincent van Gogh.’
Het museum is zelf een pionier op het gebied van immersive art, met zijn Meet Vincent van Gogh Experience. Deze mix van tentoonstelling en evenement is geïnspireerd op de brieven van Van Gogh, en heeft in tegenstelling tot andere onderdompelshows een sterk educatieve inslag. Een eerste poging om deze beleving ook in China van de grond te krijgen liep stuk op een onbetrouwbare Chinese partner en leverde in boekjaar 2016 een verlies van 2 miljoen euro op. Maar de Experience reist nog altijd rond. Na een succesvolle editie in de Chileense hoofdstad Santiago, die 94 duizend bezoekers trok, staat de show momenteel in Buenos Aires.
Ook andere Nederlandse musea herkennen de behoefte van het publiek om steeds dichter bij het werk van de meesters te komen, een ervaring (of ‘experience’, in deze wereld) die in een enkel geval eigenaardige vormen heeft aangenomen. Neem Rembrandts Amsterdam Experience aan het Leidseplein, aangeprezen als een ‘5D-ervaring’, waar je met ‘special effects’ honderden jaren terug in de tijd stapt, naar het atelier van de schilder.
Wat er is blijven hangen van dit half uurtje met pratende schilderijen, is vooral het feit dat de bekende portretten van de meester met hun ogen knipperen. De vibe is hier meer ‘lowbugethorror’ dan ‘tijdrei Source: Volkskrant