Tussen de Natura 2000-gebieden in het Drentse Westerveld worden steeds meer lelievelden aangelegd. Bewoners maken zich zorgen over het intensieve gebruik van pesticiden in die lucratieve sierteelt, maar de overheid doet niets. Daarom besloten ze zelf metingen te verrichten. De uitkomsten daarvan stemmen niet vrolijk.
Een atypisch ommetje door de gemeente Westerveld, Drenthe. In deze gemeente, die de luxe kent dat ze drie grote Natura 2000-gebieden binnen de grenzen heeft, en jaarlijks honderdduizenden toeristen en recreanten, rijden we nu juist door het buitengebied tussen die natuur. Alok van Loon en Guido Nijland van de Vereniging Meten=Weten wijzen en leggen uit: daar een lelieveld, daar pioenrozen, hier stonden vorig jaar nog lelies, de koeien in het bedrijf ernaast hebben toen allemaal verworpen: de kalveren werden doodgeboren. Nee, er is geen hard bewijs voor een verband met het gebruik van pesticiden in de lelieteelt, maar opvallend is het wel. En kijk, daar op de es, een plek waar eeuwenlang voedsel is verbouwd op de beste grond in de omtrek, staan nu lelies, bijna tegen het terrein van een biologische boer aan.
Gevleugelde uitspraak van bewoners in de regio: ‘Wij zijn dit jaar aan de beurt.’ Het wil zeggen dat de lelietelers dat jaar grond hebben gehuurd naast hun huis. Alok van Loon: ‘Eerst wordt het veld geel gespoten, dan komen de buizen erin, en dan weet je het als bewoner al.’ Want de lelieteelt wisselt steeds van plaats, na een jaar productie heeft de grond jaren nodig om te herstellen. Van Loon: ‘Eigenlijk is het landelijk gebied hier in twintig jaar tijd een soort industrieterrein geworden, inclusief heel veel verkeer van enorme landbouwmachines en vrachtwagens.’
Over de auteur
Caspar Janssen schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap. Hij schreef onder meer het boek Het bijenbalkon – Van een kaal terras naar een zoemende balkonjungle.
Dan staan we toch aan de rand van een natuurgebied, het Dwingelderveld, en wijst Nijland op iets glimmends in een eik: ‘Daar hangt onze meetapparatuur. De filters worden om de zes weken vervangen en geanalyseerd op de aanwezigheid van pesticiden, of van afbraakproducten van pesticiden.’ Op diverse plekken op het Dwingelderveld hangen deze filters, steeds wat verder weg van de bollenvelden, om nog beter te zien welke stoffen tot hoever in het natuurgebied komen. Meten=Weten neemt ook monsters van gras, bladeren en bodem.
Het is in feite een verfijnder vervolg op onderzoeken die Meten=Weten in de afgelopen jaren deed, en die veel opzien baarden. In 2018 vonden ze in twaalf monsters in de eigen woonomgeving – in tuinen en groenstroken – 57 stoffen, waaronder verboden middelen. In 2020 vond Meten=Weten 31 verschillende bestrijdingsmiddelen, biociden en afbraakproducten in natuurgebieden in de buurt. Veel van deze stoffen worden gebruikt in de bollenvelden of, meer in het bijzonder, in de lelieteelt, met afstand de teelt waarin de meeste pesticiden worden gebruikt.
En ook de uitkomsten van het lopende onderzoek zullen niet vrolijk stemmend zijn, weet Nijland al. ‘We meten hier in elk geval de veertien stoffen die we al eerder tot meer dan een kilometer van de velden hebben aangetroffen. Die middelen verwaaien dus. Met de filters meten we ook de piek in het voorjaar, en een piek van herbiciden in november.’ En, zegt Nijland er voor de duidelijkheid bij: ‘Dit is Natura 2000-gebied, je zou hier dus helemaal niets moeten meten. Er mag, volgens de wet, helemaal geen landbouwgif in Natura 2000-gebied terechtkomen. Dus om te beginnen zouden die veertien stoffen onmiddellijk verboden moeten worden. Die stoffen zijn ook aantoonbaar slecht voor insecten, voor planten. Daar zijn ze namelijk tegen bedoeld. En de provincie heeft als een van de belangrijkste taken om de natuur te beschermen. Ze moet dus handhaven.’
Van de overheid valt al jaren weinig te verwachten als het gaat om het beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap. Dus nemen particulieren het heft in eigen hand, al of niet in de geest van de punkcultuur, eind jaren zeventig, toen de toestand ook uitzichtloos leek. ‘Dan doen we het zelf wel’ is een korte reeks van Caspar Janssen, die zelf zijn stadsbalkon omtoverde tot oase voor bijen en andere beestjes.
Even eerder, bij Nijland thuis in Geeuwenbrug, is ook Rob Chrispijn, de voorzitter van de vereniging, aanwezig. We bespreken het succes van hun burgerinitiatief. Meten=Weten is inmiddels een vereniging met meer dan 1.100 leden, nog geen vijf jaar na de oprichting. Relatief succes, vinden de leden zelf, want liever waren ze allang weer opgeheven, dan hadden ze echt succes gehad. Ze gingen er aanvankelijk van uit dat het om een eenmalige actie zou gaan. Chrispijn: ‘We dachten, heel naïef, dat als we konden bewijzen dat de pesticiden die in de bollenteelt worden gebruikt in onze tuinen en op de schoolpleinen terechtkomen, er dan meteen iets zou veranderen.’ Van Loon: ‘We dachten, toen het bewijs er was: nu zal de overheid wel in actie komen. Maar niets was minder waar.’ Dus tegen wil en dank bestaat de vereniging nog altijd, ze is actiever dan ooit en groeit als kool.
De oorsprong van hun initiatief ligt al twintig jaar eerder. Toen begon bij bewoners van de gemeente de zorg over de komst, vanuit het westen, van almaar meer bollen- en lelieteelt naar Westerveld, en elders op zandgronden in Drenthe, en later ook in Overijssel en Brabant. En dan met name de zorg over het intensieve gebruik van pesticiden in de lucratieve sierteelt. Klachten over prikkende ogen en benauwdheid bij bewoners die opeens lelievelden naast hun huis kregen, of naast een lagere school, waren concrete aanleidingen. Bezorgde bewoners richtten de stichting Bollenboos op. Dat was in 2002. Van Loon: ‘De aanwijzingen dat de gifstoffen in tuinen terechtkwamen en dat bewoners die stoffen inademden, stapelden zich op.’ Chrispijn: ‘Een normale overheid zou dan meteen beginnen met reguleren. Maar hier konden de bollentelers hun gang gaan.’
Eigenlijk was de boodschap dat de boer en de burger het samen maar moesten oplossen, zegt Van Loon. Er kwamen rondetafelgesprekken, bijeenkomsten in het gemeentehuis en rapporten. ‘Die hele communicatie kwam erop neer dat de boer de burger moest vertellen dat er niks aan de hand was.’ Tijdens een van die debatten, in 2018, toen bleek dat ook een nieuw, progressief gemeentebestuur niets wezenlijks ging ondernemen, was voor Van Loon en Chrispijn de maat vol. Chrispijn: ‘We moeten zelf gaan meten, zeiden we tegen elkaar. Want dat deed niemand. De overheid al helemaal niet.’
In korte tijd hadden ze een team van zes, zeven mensen bij elkaar, allen met verschillende expertise. Van Loon: ‘Op een bijeenkomst met twintig mensen hebben we besloten wat we gingen doen. We wilden gewoon weten: komt het in onze tuin?’ Geld was er niet, maar ze stuurden een brief naar hun eigen vriendenkring, waarin de meetplannen uit de doeken werden gedaan. ‘Die brief is een soort sneeuwbal geworden, die is heel Westerveld doorgegaan. En binnen twee weken hadden we het benodigde geld binnen.’
Het eerste onderzoek, waaruit bleek dat de gebruikte gifstoffen inderdaad in tuinen van bewoners terechtkwamen, sloeg in als een bom. In Nieuwsuur noemde de Utrechtse toxicoloog Martin van den Berg de uitkomsten schokkend. Als ik daar zou wonen, zei hij, zou ik de overheid vragen direct te stoppen met spuiten. Vervolgens gebeurde er heus wel wat. Meten=Weten werd uitgenodigd bij toenmalig landbouwminister Schouten en er kwamen contacten met het CTGB, de instantie die middelen beoordeelt voor toelating. Het RIVM, intussen, had, na een initiatief van Stichting Bollenboos, de Universiteit Utrecht gevraagd te onderzoeken tot hoe ver de stoffen in de bewoonde omgeving van de bollenvelden kwamen. Op 500 meter bleken de gifstoffen nog te meten, ook binnenshuis. Het RIVM adviseerde de minister om nader onderzoek te laten doen. Nijland: ‘Maar Den Haag besloot dat het niet hoefde. Dat was voor ons een extra aanleiding om zelf verder te gaan. Als de overheid het niet doet, moeten wij het doen. Het is ook de aanleiding geweest om in natuurgebieden te gaan meten.’
Het lastige van de discussie over landbouwgif, of, in de woorden van de producenten en de gebruikers, ‘gewasbeschermingsmiddelen’, is dat er nog zo veel níét bekend is. Zo kreeg Meten=Weten vaak te horen: de aangetroffen hoeveelheden komen niet boven de vastgestelde norm. Maar ja, soms toch weer wel, en bovendien plaatsen onafhankelijke wetenschappers nogal wat vraagtekens bij die normen, en bij de toelating van veel producten, vaak alleen op basis van gegevens die door chemieproducenten zelf worden aangeleverd over bijvoorbeeld de toxiciteit.
Bovendien, zegt Nijland, die zich, als gepensioneerd ecoloog, inmiddels tot de expert van de vereniging heeft ontwikkeld, zijn er sterke aanwijzingen dat door het gebruik van cocktails de toxiciteit groter wordt. ‘Middelen kunnen elkaar versterken als ze tegelijkertijd worden gebruikt.’ En dan is er nog de stapeling van middelen. Van eenzelfde middel op dezelfde plek, maar ook door het consumeren van verschillende producten met datzelfde middel. Sowieso zou het voorzorgsbeginsel moeten worden toegepast, zolang dit alles niet beter is onderzocht, vindt Meten=Weten. Nijland: ‘We hebben hier in één monster 57 stoffen aangetroffen, op twintig meter afstand van een trampoline waar kinderen spelen. Dan hoor je als over Source: Volkskrant