Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Op de tweede avond zit ik op het bed van mijn jongste dochter. Uit de muur tegenover haar bed komt een plastic buis, waar wat draden uit steken. Op de grond liggen speelgoed en kleren en verspreid door de kamer staan verhuisdozen. Het ruikt naar zaagsel. Er moet nog genoeg gebeuren, maar ze heeft in ieder geval nu haar eigen kamer, voor het eerst in haar leven. Ze wil helemaal geen eigen kamer, zegt ze. Haar witte krullen steken onder de deken vandaan. Ze drukt haar knuffel, een vierkant lapje zachte stof met een berenkopje erop, tegen haar neus en snuift. ‘Hij ruikt naar thuis’.
Het was nooit mijn bedoeling om hier terug te komen. Ik ben hier geboren, ging er naar school en woonde er twee korte, maar intense en met dode muizen gelardeerde jaren in mijn studententijd, tot de stadsmuren op me afkwamen. Het was te keurig, te gepolijst, voorspelbaar en beklemmend. Als je op vrijdagavond iets met X had uitgespookt, was zondagmiddag de rest van het alfabet op de hoogte. Dus trok ik twintig jaar geleden met opgestoken middelvinger en een sigaret in mijn mondhoek de deur achter me dicht. So long, suckers.
Om vervolgens op een warme maandag in augustus met zweet op het voorhoofd en schaamrood op de kaken te moeten zeggen: hoi, daar ben ik weer! Tijdens een van mijn eerste supermarktbezoekjes kom ik drie mensen tegen die ik respectievelijk acht, twaalf en vierentwintig jaar niet meer heb gezien. Er is veel veranderd, maar nog meer hetzelfde gebleven. Dat maakt het makkelijk en tegelijkertijd moeilijk wennen. Mijn jongere ik lacht me uit, maar mijn jongere ik dacht ook nooit dat hij kinderen zou krijgen en op een dag graag een koophuis met een tuin zou willen hebben (in de toekomst volgt wellicht ook nog een Skoda, maar dat hoeft jongere ik nog even niet te weten).
Na het eten vragen mijn dochters of ze elkaar nat mogen spuiten in de tuin. Ze kleden zich uit en rollen de tuinslang van hoe dat ding ook heet waar het omheen zit. Elke dag leer ik nieuwe woorden. Overlooprozet bijvoorbeeld. Of korfplug. Of afvullegaat, wat klinkt als een rubberen ring, maar iets meer te maken heeft met het opstellen van een testament. Door het raam zie ik hoe ze de tuinslang beurtelings op elkaar richten. De straal klettert op hun lijfjes en de druppels vliegen door de lucht, tegen het raam. Ze gillen en dansen en lachen. Uit de keukenradio klinkt, het is bijna niet te geloven, Summer Wind van Frank Sinatra. Misschien komt het allemaal wel goed.
Source: Volkskrant