Home

Gabriel García Márquez vs. Pablo Escobar – op zoek naar het ware gezicht van Colombia

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Colombia De een staat voor het woord, de ander voor moord. Reizend door Colombia vraagt schrijver en journalist zich af wiens erfenis domineert.

Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze

Tot mijn achttiende heb ik deze gebedsregels, ogen dicht, iedere avond aangehoord uit de mond van mijn vader. Nu ik 58 ben begrijp ik dat je kunt bidden tot sint-juttemis, handen op het tafelkleed, maar dat het kwaad aanlokkelijker is dan het goede.

Ik ervoer dit opnieuw in Colombia, op zoek naar de nalatenschap van Gabriel García Márquez – ‘Gabo’. Duivels zijn kennelijk boeiender dan heiligen, schurken aantrekkelijker dan genieën. Reizend langs de Magdalena-rivier in het voetspoor van Gabo doemt overal de tronie op van drugsbaron Pablo Escobar, die je als een sirene van je pad probeert te sleuren.

Boekenstal in Cartagena Foto Jeff Greenberg

Wij, mijn dochter en ik, lieten ons afgelopen juni afdwalen van de boekenstalletjes met eerste drukken van Liefde in tijden van cholera (1985), van het Klooster van Genade waar Gabo’s urn is bijgezet en van zijn oranje gesausde villa pal achter de koloniale fortificaties van Cartagena.

Struin door de carnavaleske havenwijk van Cartagena, en je loopt Gabo tegen het lijf op een muurschildering. Als een grootvader leest hij met getuite lippen voor uit Honderd jaar eenzaamheid terwijl hij – haast bellenblazend - een zwerm gele vlinders van de bladspiegel laat opstijgen. Maar om de hoek staat pats boem een wandgroot affiche van een kapotgeschoten drugsvliegtuigje van ‘Don Pablo’ op de bodem van de baai voor diens Arabisch ogende zomervilla. Ernaar duiken, inclusief snorkelspul en een cocktail aan boord, kost je 50 dollar. Wie wil dit niet?

Een muurschildering in de havenwijk van Cartagena

Door mijn duikbril zie ik dat de neus van Cessna zich in het zand heeft geboord. De cockpitraampjes zijn zwarte ogen waar zebravisjes in en uit zwemmen, dit alles op zwembaddiepte in lauwwarm zeewater.

„Wat denken jullie”, zegt Mike, een Pablo-bewonderaar uit Montreal, zodra hij met zijn onderwatercamera komt bovendrijven. „Zou er nog cocaïne aan boord zijn?”

Op 2 december 1993 was de eeuwig ongrijpbare eigenaar van dit cocaïne-vliegtuigje uiteindelijk in de rug geschoten, vluchtend over een pannendak in Medellín. Een iets te lang radiotelefoongesprek met zijn zoon, daags na zijn 44ste verjaardag, had uiteindelijk zijn schuilplaats verraden.

In dertig jaar tijd, de duur van een generatie, blijkt er toch ook iets goeds te zijn ontsproten aan zijn nalatenschap: de verwrongen romp en vleugels zijn het substraat geworden van een beginnend koraalrif.

Misschien is de vraag waarmee ik ben vertrokken wat al te naïef. Wie van de twee is het gezicht van Colombia op het wereldtoneel: Gabo of Pablo? Beide mannen waren macho-types met zwart krulhaar en een snor, maar de een staat voor het woord, de ander voor moord. Wiens erfenis overheerst?

Het eerste ontgoochelende commentaar komt van mijn dochter Vera, die ik na afloop van haar stage in Bogotá opzoek voor onze gezamenlijke reis naar de kust. „Pap, ik zal je vast een quote geven”, zegt ze. „Voordat jij erover begon had ik nog nooit van Gabo gehoord.”

Tegenover haar 21-jarige onwetendheid (of: lacune in de opvoeding) staat de opgewektheid van León Trujillo. „Gabo staat op ons 50.000-peso-biljet.” In de stilte die hij laat vallen verschijnt de ondertiteling: en die eer zal Pablo nooit ten deel vallen. León is een wielrennende marketeer in fair-trade-cashewnoten, -koffie en -cacao. Zijn bureau Nationmark tekende in 2011 ook voor de re-branding van het merk Colombia na vijftig jaar van bloedvergieten door narco’s, guerrilleros en paramilitairen, ieder met hun eigen bandietensjaals.

León schenkt in zijn huis in Bogotá Duitse witte wijn; zijn huishoudster bereidt tamales in de keuken, cassavestamppot met puntjes ossenhaas, gestoomd in bananenblad. In zijn privébibliotheek gaan we op de foto bij het oeuvre van Gabo.

Leóns vrouw Maria bestuurt de koepel van rijksmusea van Colombia, waarvan het Goudmuseum de grootste drommen trekt, gevolgd door de beeldengalerij van Fernando Botero, de kunstenaar van de iconisch dikke schepsels. En zeker, de hoofdstad telt een cultureel centrum ‘Gabriel García Márquez’, maar veel drukker is het in het Politiemuseum, waar de bezoekers zich vergapen aan het pistool van Pablo Escobar: een zilveren Bernardelli die hij ‘liefhad als zijn tweede vrouw’.

„Pablo is veel bekender dan Gabo”, beaamt León. „Maar hoe is dat over honderd jaar?”

Kan hij het beeld helpen kantelen?

Pablo is veel bekender dan GaboLeón Trujillo

León Trujillo

Eerst maar de bloedvlekken uit het nationale blazoen zien te poetsen. ‘COLOMBIA’, lonkt de nieuwe landenpromotie, ‘THE ONLY RISK IS THAT YOU WANT TO STAY’.

In de bus naar Medellín herlees ik Verhaal van een schipbreukeling die tien dagen zonder eten of drinken op een vlot ronddobberde, tot held van de natie werd uitgeroepen, door schoonheidskoninginnen werd afgezoend en door de publiciteit in goeden doen kwam, maar het toen hij de regering verbruide en voorgoed vergeten werd – vroeg journalistiek proza van de maestro dat ik voor het eerst las toen ik in 1983 werd uitgeloot voor de School voor de Journalistiek.

Oorspronkelijk verscheen Relato de un náufrago in 1955 als feuilleton in de krant El Espectador. De militaire junta spon garen bij dit miraculeuze overlevingsverhaal; zij kon deze nationale opsteker goed gebruiken, maar na de publicatie van aflevering vier kwam de dictatuur ineens toch in het nauw. Gabriel García Márquez onthulde dat de volksheld Luis Alejandro Velasco niet tijdens een orkaan overboord was geslagen, maar bij het inspecteren van de deklading. De torpedobootjager Caldas, op de terugweg uit Florida, was helemaal niet in een storm beland. Slechts de vastgesjorde koelkasten en wasmachines waren gaan schuiven, en die schoten door de deining ineens los.

„Marine handelt in witgoed!”, riepen de straatventers in Cartagena. De oplage was in mum van tijd uitverkocht, maar El Espectador kreeg een tijdelijk verschijningsverbod. De verslaggever (28) week uit naar Parijs.

Ik was negentien, drukte een kus op de kaft en besloot om alsnog journalist te worden, ook al was ik inmiddels begonnen aan een studie tropische landbouw in Wageningen.

Terwijl ik me afvraag hoe de jonge Gabo over de actualiteit van Colombia zou hebben bericht, steken we de koffiekleurige Magdalena-rivier over. Tien kilometer verderop ligt Hacienda Napoles, het landgoed dat Pablo Escobar in een safaripark omtoverde. Bovenop de triomfboog bij de ingang prijkt nog altijd zijn eerste, in zebramotief geschilderde Cessna, waarmee hij de ‘cocaïnelijn’ naar Florida onderhield. De geïmporteerde giraffen, neushoorns en olifanten zijn dood of ondergebracht in dierentuinen, maar zijn vier nijlpaarden hebben zich vermenigvuldigd in het water van de Magdalena. De familie gedijt zo goed dat ze niet langer een bijdrage leveren aan de biodiversiteit, maar er met hun verstikkende hoeveelheden uitwerpselen een bedreiging voor zijn. Zonder ingrijpen, voorspellen biologen, groeit de populatie tot boven de duizend exemplaren in 2040. En zo halen de ‘cocaïnehippo’s’ keer op keer het wereldnieuws, al is hun legendarische parkwachter al dertig jaar dood.

Hacienda Napoles, het landgoed dat Pablo Escobar in een safaripark omtoverde Foto Juancho Torres

In de zomer van 1985, terwijl Colombia gebukt ging onder stortbuien van geweld, plaatste de krant waar ik later correspondent van zou worden een interview met Gabriel García Márquez, afgenomen in Mexico-Stad. Hij was toen al het (met de Nobelprijs van 1982 gelauwerde) boegbeeld van het magisch realisme, de literaire stroming van Latijns-Amerika waarin de meest fantastische wendingen elkaar zonder het minste gerucht opvolgen. Zo vaart Remedios de Schone in Honderd jaar eenzaamheid ten hemel terwijl ze de lakens opvouwt, haar vele aanbidders in vertwijfeling achterlatend.

De magie is opzichtig, maar in welke details verschuilt zich het realisme? Hoe verhoudt de fictieve familiekroniek van het geslacht Buendía uit het mythische dorp Macondo zich tot de werkelijkheid van Colombia?

De romancier, legt Gabo uit, maakt gebruik van stijlmiddelen als de hyperbool. Neem de neergeslagen staking op de bananenplantages rondom zijn geboortedorp Aracataca in 1928, waarbij naar verluidt zeventien arbeiders de dood vonden. „Zeventien doden was een lachertje voor mijn boek. Ik had een trein vol lijken nodig. Ik wilde een trein die, in plaats van met bananen, vol met lijken zou zijn geladen. Ik had de geschiedenis tegen me, met maar zeventien doden. Daarmee vul je nog geen wagon. Dus schreef ik drieduizend.” Met één hand, zo stelde ik me voor, wreef hij een opkomende grijns van zijn stoppels. „Wat was het gevolg? Onlangs heeft iemand op een herdenkingsbijeenkomst van die staking gesproken over drieduizend vermoorde landgenoten!”

Destijds, als beginnend journalist die over Latijns-Amerika schreef, nam ik aanstoot aan deze twist. Dat Fidel Castro hem kratten vol Havana C Source: NRC

Previous

Next